Ondergang van een antiek Japans machtsmonopolie

De LDP van premier Aso bracht in 53 jaar stabiliteit en voorspoed in Japan. Maar ook een verstikkende groepscultuur en een machtige bureaucratie.

Op elf maanden na heeft de Liberaal-Democratische Partij de afgelopen 53 jaar in Japan geregeerd. Maar aan dat machtsmonopolie zal de bevolking komende maand hoogstwaarschijnlijk een eind maken. De LDP stevent af op een electorale afstraffing. De partij staat er slecht voor in de peilingen en leed op 12 juli een zware nederlaag bij de verkiezingen voor de assemblee van de metropool Tokio.

Premier Taro Aso, ooit een charismatisch politicus maar nu een impopulair leider, zal volgende week het parlement ontbinden. Op zoek naar een nieuw mandaat van de bevolking maar vooral om interne rebellie binnen zijn LDP geen kans te geven, wil Aso de verkiezingen vervroegen. Formeel moeten deze voor oktober worden gehouden maar Aso heeft zijn zinnen gezet op 30 augustus. De premier zou nog op de valreep gewipt kunnen worden als partijleider. Maar het is de vraag of de partij daarmee aan momentum wint. De LDP heeft de afgelopen drie jaar twee premiers versleten: Shinzo Abe en Yasuo Fukuda. De kiezers zitten niet te wachten op weer een ander gezicht uit een van de dynastieën die de LDP beheersen.

Aso, liefhebber van mangatekenfilms, Cubaanse sigaren en controversiële uitspraken, heeft zijn positie bij de kiezers verspeeld. Hij beledigde de ouderen in het vergrijzende land door te spreken over „slappe mensen die alleen nog eten en drinken” en die de natie vooral veel geld kosten. Hij toonde zich onbetrouwbaar door zich dit jaar te distantiëren van de privatisering van de posterijen waaraan hij zich als minister eerder had gecommitteerd.

Ook voor zijn aanpak van de crisis kreeg hij weinig bijval. Vooral Aso’s plan om de consument een belastingvoordeel te geven van 17,5 miljard euro ontmoette veel kritiek. „Lachwekkend”, noemde de nog altijd populaire ex-premier Koizumi (2001-2006) het voorstel. Het leiderschap van de premier liep verder averij op door het optreden van zijn minister van Financiën Nakagawa. Deze trad begin januari af, nadat hij op een G7-top in Rome geeuwend en door drank beneveld een persconferentie had gegeven.

Aso wordt in het algemeen een gebrek aan leiderschap verweten. Slechts een op de vijf Japanners staat achter hem. Zijn nonchalante houding van ‘waarom zou ik opstappen’ irriteert kiezers.

Japan lijkt uitgekeken op de conservatieve en nationalistische LDP die na de Tweede Wereldoorlog het land in allerlei coalities regeerde. De macht van de LDP maakte van Japan een soort eenpartijstaat. De partij vormde decennialang een triade met de zakenwereld en bureaucratie die de kern vormde van het Japanse model. Japan veroverde de wereldmarkt met elektronica en auto’s op basis van een soort planeconomie waarvan de bureaucraten van het ministerie van Handel en Industrie de architectuur verzorgden.

De succesjaren van de exportindustrie waren voor de bevolking vooral ook van psychologische betekenis. De Japanners werkten hard voor bedrijf en natie, de bevolking kende de luxe van sociale stabiliteit en werk voor het leven. De voorspoed leidde tot explosieve stijgingen van beurskoersen en prijzen van onroerend goed.

In 1990 spatte de zeepbel op de beurs echter uiteen en werd Japan vooral het land van torenhoge schulden en een onevenwichtige ontwikkeling: rijke ondernemingen tegenover burgers die relatief weinig van de welvaartsgroei hadden geprofiteerd.

Het was de LDP-politicus Ichiri Ozawa die in 1993 een kentering teweeg wilde brengen. Hij stapte met een aantal aanhangers uit zijn partij, waardoor de LDP korte tijd uit de regering verdween, en presenteerde een blauwdruk voor de toekomst. Ozawa wilde het gesloten eiland moderniseren. Weg met de verstikkende groepscultuur en vermolmde machtsstructuren. Het individu moest, zoals in andere moderne samenlevingen, centraal komen te staan. Ozawa was tot mei van dit jaar leider van de grootste oppositiepartij, de sociaal liberale Democratische Partij Japan (DPJ). Hij sneuvelde, zoals zoveel Japanse politici, over een fraudeaffaire en werd opgevolgd door de minder geprofileerde Yukio Hatoyama. Het zegt genoeg over de electorale positie van premier Aso dat hij hier in de polls niet van heeft kunnen profiteren.

De DPJ is een amalgaam van vroegere LDP-politici en socialisten. Ze geniet de steun van arbeiders, vrouwen en jongeren. De partij wil de sociale zekerheid verbeteren, de positie van werknemers en consumenten versterken en de bureaucratie aanpakken. De politiek moet volgens de DPJ in Japan een leidende rol krijgen.

Analisten betwijfelen of een electorale aardverschuiving ook daadwerkelijk tot een andere politiek zal leiden. Ook de DJP is een product van de Japanse politieke cultuur met patronage, hybride relatienetwerken en strijd tussen partijfacties. Een DJP-overwinning betekent in elk geval dat de regering slagvaardiger kan opereren. De oppositie beheerst nu het Hoger Huis, een soort Eerste Kamer, en kan wetgeving vertragen.

Japan snakt naar vernieuwing, het land ziet zich gesteld voor een aantal grote problemen: de economie verkeert in de diepste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog, de bevolking vergrijst snel en de leiders moeten geopolitiek een antwoord vinden op de Chinese expansie in de regio.

Japanners willen verandering, maar zijn sceptisch over de politieke leiders. Kiezers zullen geen hoge verwachtingen hebben van een nieuwe regering zonder de LPD.

    • Harry Meijer