Krukkestoned in de Kantstrasse

In een serie over bijzondere reisboeken deze week Hollandse literaire observaties over Berlijn. Gaan die niet vooral over onszelf?

Een deel van de Berlijnse Muur met de graffiti ‘Beter maf dan mof’ die Jules Deelder erop spoot Foto Jørgen Snoep In een serie over bijzondere reisboeken deze week Hollandse literaire observaties over Berlijn. Gaan die niet vooral over onszelf? Jan Konst (samenst.): Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor. Nederlandse en Vlaamse schrijvers over Berlijn. Meulenhoff, 319 pagina’s. € 21,50 Snoep, Jørgen

Jan Konst (samenst.): Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor. Nederlandse en Vlaamse schrijvers over Berlijn. Meulenhoff, 319 pagina’s. € 21,50

Berlijn is een stad met wisselende stemmingen – althans als je op Nederlanders en Vlamingen afgaat. In Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor van Jan Konst kijken Nederlandse en Vlaamse schrijvers, van Frederik van Eeden en Simon Vestdijk tot Gerard Reve en Armando, naar een stad die haast per decennium onherkenbaar lijkt te veranderen. Jan ten Brink ziet overal geüniformeerde koetsiers en blinkende punthelmen, Paul van Ostaijen het jazzy levensritme en Vestdijk humorloze jonge fascisten. Frans Kellendonk ziet krakers, Turkse winkels en Amerikaanse toeristen.

Berlijn is opvallend aanwezig in de Nederlandse literatuurgeschiedenis, blijkt uit deze bundel. Niet alleen dat, de Hollandse observaties slaan als een boemerang terug op de auteurs en geven zo een goed beeld van de veranderingen in onze eigen cultuur. Wat waren onze thema’s? Hoe keken onze schrijvers?

Paul van Ostaijen keek in 1921 heel anders naar de Gedächtniskirche dan Lizzy Sara May in 1964. De schreeuwerige ironie van Deelder en Reve is even veelzeggend over de veranderde zeden en gewoonten van Nederland als over die van Berlijn. En wie er recent is geweest, zal zich herkennen in de Berlijnse verzuchting van Adriaan van Dis: ‘Gevlucht uit het land van alles moet kunnen, van het ironisch beledigen en het eeuwig leuk toch, vind ik zelfs de Duitse ernst een verademing.’

De vroegste tekst uit de bundel stamt uit 1871, het jaar waarin Berlijn werd uitgeroepen tot hoofdstad van het nieuwe keizerrijk. Een onbevangen nationalistische trots klinkt door in de gesprekken op straat. De ‘Großstadt’ is bruisend en decadent, maar ook beangstigend voor de bijna dorps aandoende Nederlanders. J. van Oudshoorn schrijft in 1905 over de mensenmassa’s en zedelijk verval. Hij ziet verwijfde types en hoertjes: ‘veile bruidjes, die hier elkander toch reeds geen voet terrein meer lijken te gunnen. Blijkbaar een toestand, die van overheidswege wordt geduld, hoe ongelooflijk het dan ook schijnt. Een teken van verval, meer dan de brutaalste armoede het kon zijn.’

Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor is opgedeeld in vijf perioden. De periode uit het keizerrijk valt op door zorgeloosheid. In de jaren twintig groeit Berlijn uit tot culturele hoofdstad van Europa. Het optimisme slaat om met de opkomst van het fascisme. Berlijn wordt een stad waar uniform en revolver verplicht zijn op feestjes en waar hoge gasten worden onthaald met Heil-geroep.

Nog decennia daarna is het vooral de herinnering aan nazi-Duitsland die de boventoon voert in de teksten die op een enkele uitzondering na in en over West-Berlijn geschreven zijn. Jules Deelder ziet zelfs in de jaren tachtig de nazi-banieren nog hangen. ‘Liep ik stoned als een kruk in de Kantstrasse, zag ik links en rechts de swastika’s tussen de bomen hangen! Wat zegt u? Geen bomen in de Kantstrasse? Kan je nagaan hoe stoned! Maar zonder dolle… Keek ik beter, waren ze weg. Liep ik door, eindje verder, vanuit mijn ooghoeken… hingen ze weer!’

Het Berlijn van nu komt er bekaaid af. Want ligt het aan Berlijn, of zijn wij Nederlanders het, die het naziverleden niet kunnen en misschien niet willen loslaten? Doordat de Nederlandse schrijvers de stad hardnekkig blijven bezien vanuit de geschiedenis, is er geen echte interesse in het moderne Berlijn en noch in de bewoners. Zo wordt er ook met geen woord gerept over de anarchistische punkscene van Nina Hagen en Rio Reiser, of kunst van Georg Baselitz en Joseph Beuys. De teksten beperken zich tot de individuele ervaring: ‘Als mollen graven mijn vriendin, haar dochtertje en ik door de eindeloze metrotunnels van Berlijn’, schrijft Kristien Hemmerechts. Nou en?

Uitzondering is een aangrijpende tekst van Cees Nooteboom die in Berlijn was toen de muur viel. ‘De tienduizenden stromen door de oostelijke sluizen naar het Westen, ze brengen hun emoties mee alsof het tastbare dingen zijn, hun gevoelens weerspiegelen zich in de gezichten van de mensen aan deze kant, aangejaagd door het geluid van hun eigen miljoenen voetstappen in de afgezette straten, door sirenes en kerkklokken, door de stemmen met hun vragen en geruchten, de ongeschreven woorden van het door niemand bedachte scenario. Door niemand en door iedereen.’