Je eigen prestige staat op het spel

Sinds 43 jaar klokkenmaker en per saldo een bescheiden winstje geboekt. Een vetpot is zijn bedrijf niet. Directeur Alan Hughes is al blij quitte te spelen. Binnenkort vieren ze dat de smid 30 jaar bij de zaak is.

Vanzelfsprekend klingelt er een welluidende bel en geen elektrische zoemer, wanneer bezoekers de houten deur van de Whitechapel Bell Foundry in het Londense East End openduwen. De zaak ademt een sfeer van traditionele ambachtelijkheid. Die indruk wordt versterkt door een medewerker in overal, die net een zware klok met een diameter van twintig centimeter uit de werkplaats naar buiten torst. Daar staat een klant met zijn auto te wachten.

De Whitechapel Bell Foundry, op slechts tien minuten wandelen van de kolossale bankgebouwen in de Londense City, is een van de twee overgebleven klokkengieterijen van het Verenigd Koninkrijk – de andere staat in Loughborough. Het is ook om andere redenen een opmerkelijk bedrijf. Het is al onafgebroken actief sinds 1570 en geldt daarmee als de oudste industriële onderneming van het land.

Nog altijd beieren er twee klokken in Westminster Abbey die al in 1583 bij de Bell Foundry zijn gemaakt. „Er is nog altijd niets mis mee, het is bijna deprimerend”, lacht directeur Alan Hughes (60). Ook beroemde grote klokken als die van de Big Ben bij het Britse parlement (met een doorsnee van drie meter) en de Liberty Bell in Philadelphia, het symbool van de Amerikaanse onafhankelijkheid, komen uit de gieterij aan Whitechapel Road. Die laatste was overigens niet helemaal het succes waarop de opdrachtgevers hadden gehoopt. Al direct na installatie vertoonde zich een barst.

De familie Hughes is sinds het einde van de negentiende eeuw verbonden met de Bell Foundry en sinds 1904 zijn ze de eigenaars van de onderneming. Daar worden niet alleen klokken gegoten maar ook reparaties verricht.

Alan Hughes, gekleed in een krijtstrepen broek en een blauw overhemd maar zonder stropdas, maakt deel uit van de vierde generatie. Zijn echtgenote Kathryn, zijn zuster en hijzelf hebben alle aandelen in handen van het bedrijf met zijn 24 werknemers. „We bezitten ook het gebouw en zijn verder aan niemand verantwoording schuldig”, stelt de directeur tevreden vast.

In weerwil van de huidige recessie in het Verenigd Koninkrijk maakt de Whitechapel Bell Foundry een uitzonderlijk drukke periode door met opdrachten uit binnen- en buitenland. Zojuist zijn tien grote klokken voor een kerk bij Cape Cod in de Verenigde Staten verscheept, terwijl een order voor een kerk in Louisiana nog moet worden uitgevoerd.

In de werkplaats, die uit verschillende afdelingen bestaat, wordt hard gewerkt. Met een oorverdovend snerpend geluid is een man in een deel achter het knusse kantoortje bezig een grote nieuwe klok voor een kerk in het graafschap Hampshire te stemmen, een karwei dat al gauw een paar dagen in beslag neemt.

Even verder staat een stel klokken dat afkomstig is van een kerk in Ipswich. Ze dateren uit de late Middeleeuwen, zelfs nog van voor de oprichting van de Bell Foundry. Hughes en zijn mensen zullen er een nieuw klankmechanisme in proberen aan te brengen.

Zo’n driekwart van de omzet in de Bell Foundry wordt gevormd door klokken voor kerktorens. Vooral Anglicaanse kerken. Die gebruiken vanouds vaak meer klokken voor één kerk, terwijl katholieke kerken dikwijls volstaan met één stevige klok.

Daarnaast heeft de firma allerlei opdrachten af te werken voor aanzienlijk kleinere bellen, die vooral voor muzikale doeleinden worden gebruikt. Daarmee behaalt de Bell Foundry ongeveer een kwart van zijn omzet. Een deel van de productie wordt afgezet in de VS. „Het klingelen met handbellen is tamelijk wijd verbreid in Amerika”, zegt Hughes. Zijn vrouw en hij staan op het punt naar Tucson te vertrekken in de Amerikaanse staat Arizona voor een groot vijfdaags festival van handbelliefhebbers. Ze zullen een stal met hun waren bemannen. Ze zijn al vaker op zulke bijeenkomsten geweest. Hughes: „Het kan wel eens saai zijn natuurlijk, maar het is een goede manier om met onze klandizie in contact te komen.”

Door schade en schande wijs geworden, weet het echtpaar dat het tij zeer snel kan omslaan. Hughes sluit niet uit dat de Bell Foundry binnenkort weer een zeer moeizame periode doormaakt. De laatste drie tot vier jaar waren gemiddeld genomen toch al niet geweldig. „Dit bedrijf is eigenlijk nooit een geweldig profijtelijke zaak geweest”, aldus Hughes. „Vaak zijn we al blij als we quitte spelen. Ik werk nu 43 jaar in de zaak en per saldo hebben we, denk ik, een bescheiden winstje geboekt.” Hoeveel wil hij echter niet vertellen, zoals hij evenmin iets over de omzetcijfers kwijt wil.

Grote schulden heeft het bedrijf nooit gemaakt. In tijden van tegenspoed halen ze liever de broekriem wat aan bij de Bell Foundry. Werknemers worden echter zelden of nooit ontslagen. „Als iemand hier komt werken, is dat meestal voor het leven”, zegt Hughes. „Binnenkort vieren we het feit dat onze smid dertig jaar bij de zaak is”, vertelt de directeur. „Hij zit hier al sinds zijn zestiende.”

Hughes en zijn familie zijn zeer toegewijd aan hun bedrijf. Ook een van zijn dochters zit deze ochtend achter een computer in het kantoortje, waar haar moeder een deel van de administratie voor haar rekening neemt. „Ha, fijn dat je ook bent gekomen”, roept haar vader. „Bedankt.”

Volgens Hughes is het kenmerkend voor familiebedrijven dat ze meer naar het belang van de onderneming op langere termijn kijken. „Je doet niet zomaar een baan, je hebt in een familiebedrijf altijd het gevoel dat je eigen prestige op het spel staat. Daardoor ga je net even zorgvuldiger te werk dan in zo maar een bedrijf. Het zit als het ware in je bloed en je kunt er soms zelfs heel emotioneel over worden. Tijdens een periode dat het zakelijk tegenzit, capituleer je niet zo maar. Het is per slot van rekening jouw bedrijf.”

Hughes vertelt dat hij destijds niet is gedwongen door zijn ouders om in het bedrijf te stappen. „Ze zouden me niet hebben tegengehouden als ik per se iets anders had gewild, maar het gebeurde min of meer vanzelf.” In de loop der jaren heeft hij zich met tal van activiteiten binnen het bedrijf beziggehouden. Met het gieten van het metaal, het stemmen van de klokken en de zakelijke kant van het bedrijf. Veel dingen heeft hij zichzelf in de praktijk geleerd. Een grote mate van flexibiliteit is altijd geboden. „Elk project dat we aannemen is uniek”, zegt Hughes. „Er zijn nooit twee klanten die precies hetzelfde willen.”

Tegenwoordig voert de directeur veel inspecties uit bij oude kerkklokken. Met een schok herkent hij soms werk dat in een verder verleden in zijn eigen werkplaats is vervaardigd. „Hoe weet je zo zeker dat het van de Bell Foundry is, vragen mensen dan aan me. Dan zeg ik: dat weet ik gewoon”, lacht Hughes.

De afhankelijkheid van kerken lijkt de Bell Foundry kwetsbaar te maken voor de afnemende kerkelijkheid van de Britten. Volgens Hughes valt dat in de praktijk mee. Veel mensen houden van het geluid van de kerkklokken bij hen in de buurt, ook als ze zelf niet kerkelijk zijn. Daardoor is het vaak makkelijker geld te vinden voor de reparatie van klokken dan voor andere attributen in een kerk.

Bovendien exporteert de Bell Foundry ongeveer een derde deel van zijn productie naar het buitenland, in het bijzonder naar de Verenigde Staten. Daar bloeien de kerken als nooit tevoren. Maar het bedrijf kreeg bijvoorbeeld ook een opdracht voor klokken bij de Amerikaanse school in Tokio. Om nog maar te zwijgen van de rijke Amerikaan die een heel eiland bezat. Hij woonde erop met zijn vrouw. Maar het kostte haar soms moeite hem te pakken te krijgen. „Daarom bestelde hij een bel bij ons, die zij kon luiden om hem te waarschuwen”, vertelt Hughes.

Hughes is zeer doordrongen van de lange historie van zijn bedrijf. Zijn familie heeft het bedrijf inmiddels langer in haar bezit dan enige andere in de geschiedenis van de Bell Foundry. De directeur en zijn vrouw koesteren de hoop dat een van hun dochters de zaak te zijner tijd overneemt.

Zelfs als dat niet zou gebeuren en de zaak in handen van een ander overgaat, zou Hughes dat niet onoverkomelijk vinden. „Ik beschouw me niet zozeer als eigenaar van dit bedrijf als wel als een beheerder. Dat mijn familie de zaak al zo lang in handen heeft, zie ik meer als toeval. Mijn eerste zorg is dat dit mooie bedrijf kan blijven voortbestaan.”

Zie voor de vorige afleveringen nrc.nl/economie