Ik werd opa zonder oma

Beeldhouwer en voormalig pastoor Omer Gielliet (84) vangt al jaren vluchtelingen op in zijn huis.

Met drie van hen trok hij door Koerdistan.

Omer Gielliet. Foto Bob van der Vlist Vlist, Bob van der

„Dit zijn mijn vrouwen”, zegt Omer Gielliet (84) trots. De pastoor in ruste loopt langs een rij enorme houten beelden, voor de St. Barbarakerk in de Zeeuwse vissersplaats Breskens. De bijbelse Rizpa balt boos haar vuisten, „omdat koning David haar twee zoons vermoordde”. Recht voor Esther – „die met haar schoonheid haar eigen volk redde” – houdt hij halt en kijkt zwijgend in haar ogen. Esther staart terug. „Het voelt altijd weer hetzelfde”, doorbreekt hij de stilte. „Ik ben zojuist gewogen en te licht bevonden.”

Verderop staat ‘het meisje uit Pakistan’, dat samen met haar moeder vluchtte en bij hem kwam wonen, zoals zoveel uitgeprocedeerde asielzoekers. „Ze waren helemaal ingepakt toen ze hier kwamen, in een soort lijkwaden. Dat moest in Pakistan, en dat wilden ze niet langer.” Vandaar het uitgekerfde onderschrift: „Jezus sprak: meisje sta op!”

Ook de kerk staat vol houtsnijwerk. In de luiken zijn portretten uitgesneden van de vrijheidsstrijders Nelson Mandela, Mahatma Gandhi en Martin Luther King. Het kruis is een eeuwenoude, opgegraven boomwortel. De stervende Christus wordt er innig omhelsd door Maria Magdalena. „Volgens de bijbel zou Jezus ‘Raak me niet aan’ hebben gezegd, maar dat is natuurlijk allemaal theologie. Probeer maar eens van die vrouw af te blijven.”

Gielliet maakt de beelden zelf, in zijn achtertuin. Met kettingen en katrollen hijst hij de loodzware boomstronken omhoog aan een gigantische stalen takel. Dan begint het hakken en zagen. Eerst met de kettingzaag, dan met steeds fijnere beitels. Wat klaar is gaat naar Wassenaar, Venlo, Kortrijk of Leuven. Een beeld van Abraham bracht hij onlangs naar Zuidoost-Turkije. Met Koerdische vluchtelingen die bij hem in huis wonen trok hij naar hun geboortestreek, het land van Ur. Een verslag van de reis heeft hij vorige week in eigen beheer uitgegeven, onder de titel Oer-ervaringen in Koerdistan.

Hoe zijn de vluchtelingen bij u terechtgekomen?

(lacht) „Tsja, hoe komt een hond aan vlooien? Nee hoor, het zijn geen vlooien. En ik ben geen hond. Het begon met daklozen uit de streek, voor wie ik opvang regelde in het dorp. Maar hun problemen met drank en drugs kon ik niet aan. Ik wilde vluchtelingen gaan helpen. Tussen zwervers voel ik me altijd snel thuis. En zij ook bij mij.

„Voor een kerk is het huisvesten van vreemdelingen essentieel. Dat is de kern van alles. Wij zijn zelf allemaal vluchtelingen en zwervers op aarde geweest. Dat zijn de meesten wel vergeten, maar toch is het zo. Het kan een lammetje zijn, of een wolf. Maar je moet ze altijd helpen en te eten geven.

„Ik weet niet meer wie de eerste waren. Het zijn er zoveel geweest, uit allerlei landen. Mensen horen ervan en vragen of je nog plek hebt. Toen ik met pensioen ging, dacht ik: ze kunnen beter bij mij thuis komen wonen. Al het mijne is het uwe. Samen zijn we kamers gaan timmeren. Het werd een huishouden, met kleine kinderen en grote mensen. Op die manier krijg je een mooi leven, hoor. Ik werd als het ware opa, zonder oma.”

Veel vluchtelingen waren uitgeprocedeerd.

„Het grote probleem met vluchtelingen is dat ze nog vol zitten met hun verleden dat nog niet is verwerkt. Hun eigenlijke verhaal blijft soms jaren verborgen. De drie mensen die hier nog wonen, zijn de laatste van een heel grote familie uit Koerdistan, een vader en moeder met elf kinderen. Ze waren in grote nood en zijn een voor een hierheen gevlucht.

„De verhoren gingen helemaal fout. Ze werden niet geloofd. Maar de Koerden hebben het niet gemakkelijk gehad, nog steeds niet. Ze mogen niet bestaan, geen land hebben, geen eigen taal spreken. Overal langs de weg staan soldaten met getrokken geweren. Als ze ouder worden, moeten de jongens in dienst en worden naar gebieden gestuurd waar ze op hun eigen mensen moeten schieten.”

Wat vond de vreemdelingenpolitie daarvan?

„Ze hebben nooit moeilijkheden gemaakt. Ik zei altijd: ‘Kom maar binnen hoor.’ Ze kregen een bak koffie en ik legde alles uit. Ze waardeerden het dat ze als mensen werden ontvangen. ‘Als er problemen zijn, hoor je dat op tijd’, zeiden ze, ‘dan kun je een ander plekje zoeken.’ Dat is toch sympathiek?

Hij lacht. „Als ze waarschuwden, zocht ik voor de vluchtelingen een nieuw onderkomen in België. ‘Daar hebben jullie niks mee te maken’, zei ik als ernaar werd gevraagd. ‘En je moet altijd goed naar de dominee luisteren.’ Nou, dat hebben ze gedaan.

„Intussen is iedereen gelegaliseerd. Er waren er al enkele doorheen, maar het generaal pardon heeft de doorslag gegeven. De meesten zijn ook uitgevlogen. Hier wonen nu nog twee jongens en een meisje. Ze leren voor onderwijzer en politieagent. Eén werkt hier in een schoenenwinkel. Nieuwe neem ik niet meer aan. Ik ben 84, het is wel mooi geweest zo. Ik wil nog wel langer leven, hoor: 110, dat lijkt me een mooie leeftijd. Kan ik nog een beetje blijven beeldhouwen.”

Hoe is dat begonnen?

„Toen ik dertig was raakte ik door een bepaalde ervaring total loss. Ik liep over de dijk en zag een afgewaaide tak liggen. Verdraaid, dacht ik, precies zó voel ik me nu. Ik raapte het op en zag er een figuurtje in: een mens met zijn armen naar boven. Dat ben ik gaan uitsnijden. Ik kon er mijn verhaal in kwijt: datgene wat je in woorden niet goed kunt zeggen.”

Wat was er gebeurd?

„Dat kan ik moeilijk uitleggen. Het leek een ramp, maar dat was het niet. Ik kwam bij de bron terecht, terwijl ik dronk uit de kraan daarboven.”

U wilt het niet zeggen, hè?

„Soms is het mooier om de waarheid een beetje verhullen. Ik was een afgewaaide tak. Je moet het symbool maar begrijpen.”

Had het te maken met liefde?

„Heel het leven is liefde. Daar heeft Rainer Maria Rilke mooie gedichten over gemaakt. Ik zou je een scheepslading beelden moeten meegeven, dan zou je het misschien snappen.”

Wat was uw laatste beeld?

„Ik heb er net een afgemaakt van Sinte Clara, een vrouwelijke monnik en volgelinge van de heilige Franciscus van Assisi, die 700 jaar geleden leefde. Je zou denken: hoe kom je daar nu bij? Maar er gebeuren dingen in die boom, die helemaal samenhangen met het leven van die vrouw. Ze kwam uit een rijke en machtige familie maar liet alle uiterlijke schijn, macht en bezittingen achter zich. Dat zat allemaal in die boom: al dat slechte rothout moest eruit. Zij was zo arm, maar haar hart was vol van God en van Franciscus. Zij was hartstikke gek van die man.

„In de kern van de boom zit het geheim van het leven: iedere cel moet sterven om de volgende te laten herrijzen. Zo houdt de dood het leven overeind. In Clara’s leven is dat ook gebeurd. Er stierf van alles af, maar er verrees ook iets. Zij weerstond alles en iedereen. Van God houden gaat niet met geweld, het gebeurt op een manier die je niet verwacht. Je valt heel diep. In het Engels heet het niet voor niets to fall in love.

„Ik voel me verbonden met zo iemand. Het is net alsof het allemaal is klaargelegd. Ik word daar dichterlijk van. Tijdens het beeldhouwen kon ik zo goed met Clara opschieten dat ik zelfs met haar praatte: ‘Wat ben je toch een leuke vrouw’. Het staat in een psalm: de dwazen, ze sleuren met beelden van hout. Dan denk ik: dat ben ik.”

    • Frank Provoost