Help! We worden overgenomen!

De kritiek op moslims is heftiger dan ooit tevoren, maar snijdt zij ook hout?

Nederlands en Amerikaans alarmisme versus een open blik uit Groot-Brittannië.

Kenan Malik: From Fatwa to Jihad. The Rushdie Affair and its Legacy. Atlantic, 266 blz. € 23,-

De verbreiding van het idee dat Europa zich aan het uitleveren is aan de islam is vermoedelijk het grootste retorische succes van de ‘islamkritiek’. Het wereldbeeld van radicale islamcritici berust op de tegenstelling tussen een verweekt vaderland en een agressieve islam, die met een infanterie van straatterroristen de samenleving al is binnengedrongen. De leden van de ‘politiek correcte elite’ gedragen zich daarbij als klassieke dhimmi’s, door de islam onderworpenen die genoegen nemen met een status als volgzame tweederangsburgers.

Voor een groot deel is dit wereldbeeld zelf ook weer import, uit Amerikaanse, Israëlische én radicaal-islamitische bronnen. Uit de Verenigde Staten komt een stroom aan boeken die de ondergang van Europa door de islam voorspellen.

Of die diagnose correct is, en of de islam werkelijk zo’n groeiende, monolithische macht is, is een vraag die dan niet wordt gesteld, of reflexmatig wordt beantwoord met een verwijzing naar onbetwistbaar geachte statistieken en publicitaire incidenten. Het gewicht daarvan ontkennen, geldt dan zelf alweer als landverraad.

Dat geldt ook voor de jongste loten aan de tak van de islamkritiek, de uitvoerige reportage Reflections on the Revolution in Europe van de Amerikaanse journalist Christopher Caldwell en de essaybundel Eindstrijd van arabist Hans Jansen en socioloog Bert Snel. Beide boeken bevatten leerzame verhandelingen over de geschiedenis van de islam, de crisis rond de integratie van minderheden in Europa en de krampachtige manier waarop nationale overheden en elites omgaan met de problemen van immigratie en integratie.

Caldwells Reflections (de titel verwijst naar het beroemde essay van Edmund Burke over de Franse revolutie) onderscheidt zich met zijn genuanceerde toonzetting in gunstige zin van eerdere onheilstijdingen over een islamitisch Europa, zoals het paniekerige While Europe Slept van Bruce Bawer, en van meer opgewonden Europese versies op hetzelfde thema, zoals de bestseller van de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci (The Rage and the Pride).

Twee veronderstellingen domineren deze boeken: ‘de islam’ is er op uit Europa over te nemen (en is aan de winnende hand) en de moslims hier vormen een bruggehoofd voor die kolonisatie. Dat de islam aan het ‘winnen’ is moet, behalve uit cijfers over immigratie, blijken uit de censuur die Europese samenlevingen zichzelf opleggen: je mag ‘niks’ over de islam zeggen, op straffe van intellectueel ostracisme, juridische knevelarij, of erger. Zie de vervolging van de assimilationistische politicus Geert Wilders en de moord op Theo van Gogh, een gruweldaad die een scharnierpunt is gebleken in de radicalisering van de Nederlandse islamkritiek.

Aan die laatste feiten is natuurlijk niets af te doen. Europese samenlevingen worstelen hevig met de steeds zichtbaardere plaats die grote aantallen moslims erin innemen. Maar dat betekent nog niet dat er een levensvatbaar islamitisch plan zou bestaan om Europa te bezetten, waarvan de huidige generaties islamitische immigranten de op afstand bestuurde vijfde colonne zouden zijn.

Zelfs de cijfers zijn niet eenduidig. Er leven nu 15 miljoen moslims in de Europese Unie op een bevolkingsaantal van 500 miljoen. Dat lijkt een nogal smalle basis voor een nieuw kalifaat, zelfs als dat aantal binnen vijftig jaar verdubbelt.

Dat de vrijheid van meningsuiting in Europa onder druk staat van religieuze en culturele pressiegroepen, een ander cruciaal punt in deze boeken, is op zichzelf ook waar. Maar betekent dat werkelijk dat islamcritici een belaagde minderheid zijn in een zee van politiek-correcte dhimmitude? Het tegendeel lijkt eerder het geval: de kritiek op de islam, en op moslims, is in Nederland juist heftiger en radicaler dan ooit. De overtuiging dat de islam strijdig is met de ‘kernwaarden’ van onze cultuur is zo langzamerhand een huis-, tuin- en keukenwaarheid geworden, uitgevent door politici en ‘opiniemakers’, of het nu gaat om Talibaan in Afghanistan of Marokkaanse straatjongens in Gouda. Tussen het al te concrete niveau van dit soort incidenten en het al te abstracte van een metafysisch soort cultuurpessimisme, lijkt elk middenniveau in de islamkritiek gaandeweg uit zicht te zijn geraakt.

Het kan ook anders. De Britse historicus en wetenschapsfilosoof Kenan Malik heeft in From Fatwa to Jihad een open oog voor de gevaren van de radicale islam en voor het racisme in de Britse samenleving van de jaren tachtig, maar zonder door te slaan in het alarmistische goed-kwaaddenken van neoconservatieven. Malik, kind van Pakistaanse immigranten, laat overtuigend zien, met een beroep op zijn eigen Werdegang en politieke vorming, hoe kinderen van niet-westerse immigranten in Engeland onder invloed van het racisme van de repressieve jaren tachtig en de Rushdie-affaire het marxisme verruilden voor islamisme als banier voor hun protest tegen de klassenmaatschappij.

Deze auteur heeft gelukkig ook een scherp gevoel voor de complexe maatschappelijke realiteit, dat soms node wordt gemist in hooggestemde ‘ideëenboeken’ als Eindstrijd. Zo wijst hij erop dat de Britse situatie, met veelal Pakistaanse moslims die eerder onderdaan waren van het Empire, een wezenlijk andere is dan die van Duitsland of Nederland, met Turkse en Marokkaanse migranten. Daarmee volgt hij de Franse islamkenner Gilles Kepel, die er in Beyond Terror and Martyrdom (Harvard, 2008) op hamert dat de lokale context cruciaal is voor de controverses rond immigratie en islam.

Malik heeft goede hoop dat nieuwe generaties moslims een actieve, zinvolle rol zullen spelen in Europese samenlevingen, als de contraproductieve mythes aan beide kanten maar kunnen worden overwonnen. Misschien is dat weer iets te veel gedacht als Barack Obama, maar de richting is goed. De fixatie op de kolonisatie van Europa door moslims berust op een eenzijdige en veel te abstracte analyse van de manier waarop moslims zich in Europa gedragen. De terreurdaden, het is al vaak opgemerkt, werden uitgevoerd door verwesterste jonge mannen die de jihad gebruiken als kanaal voor hun rancune tegen een samenleving waar ze enerzijds naar hunkeren, maar die ze anderzijds verafschuwen.

Dat maakt de situatie niet onschuldiger, maar weerlegt wel het idee dat we te maken hebben met een vijand van buiten die, belichaamd in honderdduizenden identieke moslims, op het punt staat de boel ‘over te nemen’. Die angst is eerder zelf het meest pregnante teken van ongeloof in de vitaliteit van een Europese cultuur.

Christopher Caldwell: Reflections on the Revolution in Europe.

Allen Lane, 364 blz. € 21,-. De vertaling verschijnt in augustus bij Ambo.

Kenan Malik: From Fatwa to Jihad. The Rushdie Affair and its Legacy.

Atlantic, 266 blz. € 23,-

Hans Jansen en Bert Snel (red.): Eindstrijd. De finale clash tussen het liberale Westen en een traditionele islam.

Van Praag, 365 blz. € 22,50

    • Sjoerd de Jong