Heel vroeger

‘Als de hele wereld tegen je is, vorm je een front. Je staat op dezelfde barricade. Je kan het dissident noemen, je was bezig met een eigen cultuur die buiten de samenleving stond. Daar kwam bij dat allen waren getekend door de oorlog. Ik sta met één been in de elf jaar tot de bevrijding en met het andere in de periode erna. (-) Misschien zit er iets speciaals in mensen die in of kort na de oorlog volwassen zijn geworden. Ze droegen én dat verleden met zich mee, én waren voortdurend bezig zich ervan te ontdoen. Het verschil met mensen van na de oorlog is: wij moeten leren door de chaos heen te leven.” Dat zei Simon Vinkenoog in 1992, in een interview dat Tom Rooduijn en ik met hem gemaakt hebben.

De dichter en denker, performer en blower, activist en beschouwer was een uitzonderlijk mens. Dat is in de media al breed uitgemeten. Hij was ook een dierbare metgezel in de tijd. We horen tot dezelfde generatie, waarvoor de oorlog de breuk in de opvoeding is. Met de wereld van voor 1940, die van Hendrik Colijn, hadden we niets te maken. Onze praktische opvoeding hebben we gekregen in en door de vijf jaar bezetting, terwijl het burgerlijke Nederland langzaam maar zeker uit elkaar viel, met als apotheose de hongerwinter. En daarna, in de loop van 1945, kwam de restauratie en het begin van de vierjarige oorlog tegen Indonesië. Om het heel kort te zeggen: dat wilde er bij onze generatie niet in.

In en door de oorlog is de generatie van de Vijftigers ontstaan. Deze dichters, schrijvers en schilders hebben kortweg geen zin meer in de ouwe tijd en dat laten ze blijken. Een markante gebeurtenis waarbij het bewijs wordt geleverd is de Podiumavond op 1 maart 1951 in het Stedelijk Museum. Podium was een literair tijdschrift, de nieuwe dichters zouden uit eigen werk voorlezen. Het was stampvol.

Lucebert verscheen op het toneeltje, legde voor zich op de lessenaar een exemplaar van de dikke Van Dale en begon. Hij had een zachte stem, sprak met een bescheiden, licht ironische intonatie. Hij zei: „De minister-president is een kanon. Piep. Piep. Piep.” Het werd al een beetje onrustig op de achterste rijen. Hij sloeg het woordenboek open en zei: De Nederlandse taal, voorgelezen door een vandaal. Pik, pikje, mannelijk geslachtdeel. Enzovoort. De eerste bezoekers verlieten de zaal. Hij pakte het glas water dat voor hem stond, gooide het over zijn hoofd leeg en zei: Herfst. Tenslotte heeft hij een paar vuurwerksterretjes aangestoken waarop de politie ingreep. De volgende dag sprak De Telegraaf er schande van.

In 1992 hebben Tom Rooduijn en ik voor de radio een reeks interviews met de dichters en schrijvers gemaakt. Vijf jaar later is uit de teksten een boek ontstaan, Dwars door puinstof heen, naar een regel uit een gedicht van Remco Campert: „Het wordt tijd dat we iets laten horen, een stem dwars door puinstof heen.” Daarmee is de opdracht, de ambitie van deze generatie samengevat.

Tot slot nog een paar regels uit een gedicht van Remco Campert:

De geur van gisteren hangt nog aan me/ ik at met mijn vriend/ we braken het brood/ en deelden de doden/ we zijn al bijna uit zicht/ wij lachen nog/ wat moet je anders?

We zijn een verdwijnende, bijna verdwenen generatie.

    • H.J.A. Hofland