Een Poolse voorzitter

De eerste vergadercyclus van het Europees Parlement na de verkiezingen van begin juni is gisteren afgesloten. Zoals gebruikelijk was de plenaire sessie een voorbeeld van verkwisting. Nog steeds komt de volksvertegenwoordiging om en om in twee steden bijeen: in Brussel en in Straatsburg.

Maar afgezien van deze anomalie heeft het Parlement zich nadrukkelijk gemanifesteerd. Het heeft afgelopen week een paar serieuze politieke lijnen uitgezet.

De eerste was de verkiezing van de Pool Jerzy Buzek tot Parlementsvoorzitter. De verkiezing van deze ex-premier uit het kamp van de vrije vakbond Solidariteit is een signaal dat de nieuwe lidstaten volwaardige partners zijn geworden. Het is voor het eerst sinds de grote uitbreiding van 2004 dat de ‘speaker’ van het parlement uit Midden- of Oost-Europa komt. Het werd tijd. De post is sinds de eerste rechtstreekse verkiezingen van 1979 bezet door Franse, Duitse of Spaanse parlementariërs en een enkele keer door een Britse, Ierse of Nederlandse afgevaardigde. Spanje, in 1986 een nieuwkomer en enigszins vergelijkbaar met Polen, zag al na drie jaar een landgenoot verkozen worden.

Buzek staat bovendien niet helemaal alleen. In het kwintet van quaestores, die de administratieve huishouding van het Parlement doen, zijn een Pool en een Tsjech gekozen, mede ten koste van de Nederlander Oomen-Ruijten (CDA).

Het tweede politieke feit dat het Europees Parlement heeft geschapen, is de weigering om deze week al in te stemmen met de herbenoeming van Barroso bij de Europese Commissie. Een week geleden was hij door de Europese Raad van regeringsleiders voorgedragen voor een tweede ambtstermijn als voorzitter. De christen-democratische fractie, de grootste in Brussel en Straatsburg, wilde Barroso meteen fiatteren. Maar onder druk van de sociaal-democratische, liberale en groene fracties heeft het Parlement de behandeling van de voordracht uitgesteld. Deze fracties eisen een uitgewerkt beleidsplan van Barroso. Ze vrezen dat hij de komende jaren wederom beter luistert naar de lidstaatregeringen dan naar het rechtstreeks gekozen Parlement.

Dat lijkt zinloze vertraging. Andere kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie zijn er immers niet. En zo beroerd heeft Barroso het de afgelopen vijf jaar niet gedaan. Maar voor de machtspositie van het Europees Parlement kan het besluit wel van belang zijn. In 2004 blokkeerde het enige tijd met succes de eerste Commissie-Barroso. De voorzitter moest toen op een aantal punten door de knieën. Daardoor zijn de verhoudingen tussen Commissie en Parlement veranderd ten gunste van het laatste orgaan.

Zo’n machtsstrijd kan ook nu geen kwaad, mits het armpje drukken geen doel op zich wordt, maar een middel blijft om de formele verhoudingen te verhelderen. De legitimiteit van de Unie, die toch al onder druk staat ondanks het feit dat ook IJsland sinds gisteren lonkt naar een lidmaatschap, is daarbij gebaat. Zonder sterkere positie voor het Parlement blijft het democratisch gehalte van de EU hoe dan ook te laag.