De spiegel van de bedrieger

Verhalenschrijver John Cheever – gentleman, neuroticus, narcist – speelde zijn leven lang toneel. Zijn innerlijk leven is terecht de inzet van een mooie biografie.

John Cheever, thuis in Ossining, N.Y., in 1979 Foto Paul Hosefros/The New York Times De spiegel van de bedrieger De narcist, de alcoholist, de tiran, de neuroticus Onthullende biografie van gekwelde ziel John Cheever (1912-1982) *FILE PHOTO*(NYT34) OSSINING, N.Y. -- April 4, 2009 -- SHORT-STORY-REVIEW-2 -- John Cheever at his home in Ossining, N.Y., in 1979. To call an American writer a master of the short story can be taken at best as faint praise, or at worst as an insult, akin to singling out an ambitious novelist's journalism -- or, God forbid, criticism -- as her most notable accomplishment. The short story often looks like a minor or even vestigial literary form, redolent of M.F.A.-mill make-work and artistic caution. A good story may survive as classroom fodder or be appreciated as an interesting exercise, an etude rather than a sonata or a symphony. (Paul Hosefros/The New York Times) Hosefros, Paul;The New York Times

Blake Bailey: Cheever, A Life Knopf, 774 blz. € 34,-

John Cheever had maar één goed pak. ’s Ochtends trok de chroniqueur van suburbia dat goede pak aan, wandelde naar zijn kantoor zonder ramen, trok dat pak weer uit, en deed zittend in zijn onderbroek zijn werk. Vroeg in de middag, als de hunkering naar gin hem te machtig werd, hees hij zich andermaal in de nog kreukloze kleding. Een keurige heer op weg naar huis. Getrouwd, met kinderen.

Deze anekdote, met smaak opgedist in een essay dat is opgenomen in de Library of America-uitgave Cheever, Collected Stories and Other Writings, legt onbedoeld de essentie bloot van Cheevers leven en werk. En het is een ongemakkelijke essentie. John Cheever was een bedrieger.

Ik zeg dat niet met de bedoeling de Amerikaanse Tsjechov te kapittelen. Verre van. Na het lezen van Blake Bailey’s monumentale biografie Cheever, A Life overheersen gevoelens van barmhartigheid. Cheever publiceerde tot zijn dood in 1982 meer dan honderd verhalen over de gegoede burgerij van de voorsteden, met haar tennispartijen, cocktailfeestjes en smetteloze zwembaden, maar hij stond nooit met meer dan één been in hun wereld. Het private universum dat daar tegenover stond, had met feestgedruis weinig te maken.

Het had weinig gescheeld of John Cheever was nooit geboren. Het huwelijk van zijn ouders stond onder druk, en tot seks kwam het alleen als er drank in het spel was. Toen Mary in 1912 zwanger bleek, zag vader Frederick liefst dat de ongeboren Cheever werd ‘weggemaakt’. Hij nodigde een abortusarts uit voor een etentje om Mary onder druk te zetten. Uiteindelijk werd John Cheever met tegenzin ontvangen, een wetenschap die hij zijn leven lang mee zou dragen.

Frederick Cheever was een schoenverkoper die door tegenslag naar de fles werd gedreven. Mary, een dominante vrouw, moest de familie draaiende houden. Zij zag zich gedwongen in kleinburgerlijk Quincy, Massachusetts een winkel met prullaria te openen, tot afschuw van haar jongste zoon. Ondanks de chique familienaam (spreek uit: Cheevah) lag het sociaal en economisch bankroet steeds op de loer. ‘Het trauma, de aardschok’, zoals Cheever de neergang van het geslacht later in zijn dagboek zou omschrijven. Het sloeg de fragiele jongen voorgoed van zijn anker.

Dat daarna de hogere middenklasse een sterke aantrekkingskracht op hem uitoefende, lag voor de hand. Tegelijk maakte diezelfde klasse afkeer en afgunst los. ‘Vroeg in mijn leven’, noteerde hij in zijn dagboek, ‘besloot ik me naar binnen te werken bij de middenklasse, als een spion. Maar soms lijkt het alsof ik mijn missie vergeten ben en mijn vermomming te serieus ben gaan nemen.’ Na zijn eerste stappen op het schrijverspad was Cheever ‘omhoog’ getrouwd met Mary Winternitz, kleindochter van telefoonuitvinder Thomas Watson. Ze vestigden zich in het aangeharkte New Yorkse voorland, eerst in Scarbarough, later in Ossining.

Deze tweeslachtige verhouding met de middenklasse-moraal kleurde Cheevers werk. Hij voelde zich een armoedzaaier tussen de welgestelden, en hij klaagde over de intellectuele leegte, het eindeloos gekeuvel. In zijn korte verhalen, meestal gepubliceerd in The New Yorker, ontmaskerde hij de corruptie van het ogenschijnlijk rimpelloze leven. Cheevers fictieve voorsteden Shady Hill en Bullet Park vormden het toneel voor forenzende zombies, geestdodende drinkgelagen en liefdeloze slippertjes. Maar Cheevers satire was zelden genadeloos. Daarvoor hield hij te veel van de schoonheid van de Hudson-vallei, van dineren met de buren, een duik in een koud zwembad (‘bear-arsed’), boswandelingen met zijn labrador. Dat hij zijn leven lang vocht tegen depressies (‘le cafard’), lag meer in zijn persoonlijkheid besloten dan in het decor van zijn leven.

‘In tijden van verlies of openbaring’, stelde hij als twintiger al vast, ‘kan ik me niet identificeren met een generatie, een universiteit, een klasse of een industrie. Wat ik het meest mis is het vermogen me met een groep te vereenzelvigen. Als je verloren bent, ben je volledig verloren.’

Een diffuus zelfbeeld compenseerde hij door met flair toneel te spelen. De ongeschoolde drop-out imiteerde eruditie, verzon een cast van belangwekkende voorvaderen en sprak met een geaffecteerd accent. Sociale gelegenheden waren er om te schitteren, om iemand te zijn in de ogen van anderen, al zag hij zichzelf soms als ‘een goedkope sociale streber, een imitatie-gentleman’.

In intieme kring heerste de andere Cheever: de narcist, de alcoholist, de tiran, de homo’s hatende, latente homoseksueel. Slechts weinigen hadden enig idee met welke obsessies hij in zijn dagboeken worstelde. Maar ook: de afgunst die hij voelde voor ‘bevriende’ collega’s als Updike en Bellow, zijn eigen zieligheid, zijn maîtresses en de vraag waar de volgende martini vandaan zou komen. Hij leed onder zijn verwarring, maar die verwarring verschafte zijn korte verhalen een boeiende ambiguïteit.

Biograaf Blake Bailey zet groot in op dit innerlijk leven, en hoewel het eenvoudig is een hekel aan Cheever te krijgen, had ik vooral met hem te doen. Het noodlot van de bedrieger is de voortdurende vrees ontmaskerd te worden. Dat gold bij Cheever vooral zijn homoseksualiteit. In zijn jeugd had hij uitgebreid aangerommeld met heren, onder wie zijn oudere broer Fred. Om het stempel van ‘impotent en homoseksueel’ voor te zijn, deed hij bij voorkeur ‘mannelijke’ dingen als hout hakken. Dat Cheever in het echtelijk bed zelden presteerde, weet hij aan Mary’s ijskoude houding – een houding die niet ingebeeld was, maar ongetwijfeld het resultaat van zijn eigen drankzucht en algehele botheid. Een van zijn psychiaters typeerde Cheever als een ‘neurotisch figuur, narcistisch, egocentrisch, zonder vrienden, zo opgaand in zijn eigen defensieve illusies dat hij een manisch-depressieve echtgenote heeft uitgevonden.’

Uiteindelijk bleek de situatie onhoudbaar. Hij dronk steeds meer en begon toe te geven aan verboden gevoelens, vooral met schrijvers in spe die tegen hem opkeken. In elk geval één van die verhoudingen had – zonder dat Cheever dat zelf in de gaten leek te hebben – het karakter van misbruik.

De details zijn onsmakelijk, maar Bailey presenteert ze niet uit sensatiezucht. Ze maken het werk van Cheever inzichtelijker. En dan vooral het succes van zijn korte verhalen en de relatieve mislukking van zijn romans.

Die romans hangen als los zand aan elkaar, het elegante proza ten spijt. Ze missen een motor, vooral doordat de karakters inconsistent zijn en geen duidelijke ontwikkeling doormaken. The Wapshot Chronicles, The Wapshot Scandal, Bullet Park: ze zijn samenraapsels van vignetten en korte verhalen. Cheever riep (geregeld zo fel dat het niet meer overtuigde) dat dit een bewuste keuze was. Omdat het moderne leven zich episodisch ontvouwde, zou de klassieke roman hebben afgedaan.

Cheever, A Life suggereert dat Cheevers romans tekortschoten doordat Cheever een te onderontwikkeld zelfbeeld had om rijke romanpersonages te kunnen creëren. Pas in de gevangenisroman Falconer, een atypisch werk, durfde hij rechtstreeks over homoseksualiteit te spreken. Deze roman, zijn beste, werd geschreven na een periode van creatieve droogte waarin hij zichzelf bijna moedwillig het graf in dronk, resulterend in een interventie die hem tot zijn dood nuchter zou houden. Falconer (1977) was geïnspireerd op een periode waarin Cheever lesgaf in de Sing Sing-gevangenis, een plek waar homoseksuele handelingen aan de orde van de dag waren.

Terwijl in de romans de ambiguïteit de lezer laat verdwalen, werkt zij in de korte verhalen juist in het voordeel van de schrijver. Die verhalen gaan ook niet zozeer over de ontwikkeling van een karakter of een filosofie; ze zijn ‘situationeel’ van aard. Vaak worden Cheevers figuren van binnenuit opgevreten door een geheim. In The Enormous Radio krijgt een echtpaar een nieuw radiotoestel, waarmee onverwacht de gesprekken van de buren kunnen worden afgeluisterd. De echtgenote is geschokt door wat ze hoort, totdat duidelijk wordt hoe hypocriet haar morele verontwaardiging is.

In The Day the Pig Fell Into the Well haalt een familie herinneringen op aan de dag dat een varken in de waterput verdronk. Hoe vaker het verhaal wordt opgerakeld, hoe duidelijker dat de mooie zomers in het buitenhuis minder fraai waren dan gedacht. In The Five-Forty-Eight wordt een zakenman met een pistool bedreigd door de secretaresse die hij ontsloeg nadat hij een korte affaire met haar had. Ze dwingt hem zijn gezicht in de modder te dopen – en dat is dan dat. Al deze situaties zijn helder, maar gelaagd en ontregelend.

De Library of America-uitgave met korte verhalen, waarvan een groot deel in het Nederlands is verschenen onder de titel Verhalen, staat bol van dergelijke parels. Maar hoewel John Updike in zijn grafrede opmerkte dat ‘Amerika Cheever zal missen’, bleek het omgekeerde het geval. De grootmeester van het korte verhaal heeft geen plek in collegezalen – waar de canon gemaakt wordt – en zelfs het voorstel een straat naar hem te vernoemen in thuishaven Ossining, haalde het niet. Bailey neemt het nu op zich een herwaardering in gang te zetten.

Op papier is hij daarvoor de perfecte man. Eerder al schreef Bailey het levensverhaal van Richard Yates, nog zo’n dronkaard die onder de motorkap van de American Dream keek; bovendien stelde hij beide Library of America-uitgaven samen. Hij is de eerste biograaf die onbeperkt toegang had tot Cheevers ruim vierduizend pagina tellende dagboek, waarvan tot dusver een deel is gepubliceerd in The Journals of John Cheever. Bailey sprak uitgebreid met Cheevers weduwe Mary, met zijn drie kinderen, onder wie schrijvers Ben en Susan; hij sprak met vrienden, artsen, psychiaters en minnaars, mannelijke en vrouwelijke. Het resultaat is pijnlijk intiem. We zien Cheever in zijn onderbroek – en vaak ook zonder.

Door zo zwaar op de dagboeken en de getuigenis van Mary te leunen, is het beeld mogelijk wel uit balans geraakt. Zoals Cheever al stelde in zijn essay What Happened, is er een verschil tussen werkelijkheid en dagboeknotitie. ‘Ik had de zomer doorgebracht met aangenaam gezelschap, in het soort landschap waarvan ik hou, maar er viel geen spoor van te ontdekken in mijn aantekeningen.’ De ontegenzeggelijke charme van de publieke Cheever, en het geluk dat hij bij vlagen gekend moet hebben, zijn door Bailey naar de achtergrond gedrukt. Daarnaast heeft hij te weinig selectie toegepast. Elke ontmoeting, elk wissewasje, wordt opgedist, zodat het boek bij vlagen een oefening in namedropping wordt. Het doet enige afbreuk aan de wijze waarop Bailey Cheevers innerlijke strijd heeft weten bloot te leggen – maar niet veel, want het is deze innerlijke strijd die zijn verhalen een onvergelijkbare toets verleenden.

De barmhartigheid die de lezer voor Cheever voelt, is die van de medebedrieger, een uitvergrote vorm van de universele vervreemding, de universele, onmachtige hunkering naar herkenning en erkenning. Niemand past naadloos in de confectiemaat 50 die we onszelf voor de goede orde aanmeten. Iedereen speelt tot op zekere hoogte toneel, pretendeert iets te zijn, dekt onzekerheid af met stelligheid. Dat geldt zeker voor een schrijver wiens beroepskeuze getuigt van een eigenwaan die bijna per definitie compensatie moet zijn voor twijfel en narcistische gevoelens van miskenning. Bij Cheever paste het confectiepak zó slecht, dat de verwurging ondraaglijk wordt.

Als auteur werd Cheever vaak vergeleken met Tsjechov, maar als mens voelde hij zich verwant met F. Scott Fitzgerald. ‘Volwassen mannen’, schreef Cheever, ‘hebben gehuild bij de laatste pagina’s van Fitzgeralds biografie’. Daarmee bedoelde hij ook zichzelf. Cheever is net te veel dader om gelijksoortige tranen los te weken. Maar zijn levensgeschiedenis herinnert wel aan het belangrijkste: de kracht van korte verhalen die het verdienen niet vergeten te worden.