De rancunisering van Europa

De kritiek op moslims is heftiger en radicaler dan ooit tevoren, maar snijdt zij ook hout? Nederlands en Amerikaans alarmisme versus een open blik uit Groot-Brittannië.

Christopher Caldwell: Reflections on the Revolution in Europe. Allen Lane, 364 blz. € 21,-. De vertaling verschijnt in augustus bij Ambo.

Kenan Malik: From Fatwa to Jihad. The Rushdie Affair and its Legacy. Atlantic, 266 blz. € 23,-

Hans Jansen en Bert Snel (red.): Eindstrijd. De finale clash tussen het liberale Westen en een traditionele islam. Van Praag, 365 blz € 22,50

De verbreiding van het idee dat Europa zich aan het uitleveren is aan de islam, een religie die als een virus wordt meegedragen door migrerende hordes, is vermoedelijk het grootste retorische succes van de ‘islamkritiek’ in binnen- en buitenland. Het wereldbeeld van radicale islamcritici berust op de tegenstelling tussen een verweekt vaderland en een agressieve islam, die met een infanterie van straatterroristen de samenleving al is binnengedrongen. De ‘politiek correcte elite’ gedraagt zich daarbij als klassieke dhimmi’s, door de islam onderworpenen die genoegen nemen met een status als volgzame tweederangsburgers.

Voor een groot deel is dit wereldbeeld zelf ook weer import, uit Amerikaanse, Israëlische én radicaal-islamitische bronnen. Uit de Verenigde Staten komt een stroom aan boeken die de ondergang van Europa door de islam voorspellen, met een soms nauwelijks verholen mengeling van bezorgdheid en leedvermaak. Van hun kant verlustigen radicaal-islamitische predikers en polemisten zich in hun geschriften ook in de nakende verovering van Europa, na de eerdere mislukte pogingen bij Poitiers (732) en Wenen (1683).

Of die diagnose correct is, en of de islam werkelijk zo’n groeiende, monolithische macht is, is een vraag die dan niet wordt gesteld, of reflexmatig wordt beantwoord met een verwijzing naar onbetwistbaar geachte statistieken en publicitaire incidenten. Het gewicht daarvan ontkennen, geldt dan zelf alweer als landverraad.

Dat geldt ook voor de jongste loten aan de tak van de islamkritiek, de uitvoerige reportage Reflections on the Revolution in Europe van de Amerikaanse journalist Christopher Caldwell en de essaybundel Eindstrijd van de arabist Hans Jansen en de socioloog Bert Snel. Beide boeken bevatten leerzame verhandelingen over de geschiedenis van de islam, de crisis rond de integratie van minderheden in Europa, en de krampachtige manier waarop nationale overheden en elites omgaan met de problemen van immigratie en integratie.

Caldwells Reflections (de titel verwijst naar het beroemde essay van Edmund Burke over de Franse revolutie) onderscheidt zich met zijn genuanceerde toonzetting in gunstige zin van eerdere onheilstijdingen over een islamitisch Europa, zoals het paniekerige While Europe Slept van Bruce Bawer, en van meer opgewonden Europese versies op hetzelfde thema, zoals de bestseller van de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci (The Rage and the Pride).

Opmerkelijk voor Nederlandse lezers is ook Caldwells gemengde oordeel over de islam en over Pim Fortuyn. Volgens de conservatieve journalist wees Fortuyn terecht op de gevaren van islam en massa-immigratie. Maar de libertaire opvattingen over seks en homorechten van ‘Pimmetje’ kunnen in zijn ogen maar weinig genade vinden. Daar gaat een diepere ambivalentie achter schuil: tussen de regels door lijkt Caldwell eerder bewondering te hebben voor de gelovige moslims die hij als een groot gevaar beschouwt, dan voor de slappe Europeanen die gedwee met de pootjes omhoog gaan. Dezelfde conservatieve ambivalentie ten opzichte van de islam duikt op in Eindstrijd.

Twee veronderstellingen domineren deze boeken: ‘de islam’ is erop uit Europa over te nemen (en is aan de winnende hand) en de moslims hier vormen een bruggehoofd voor die kolonisatie. Dat de islam aan het ‘winnen’ is moet, behalve uit cijfers over immigratie, blijken uit de censuur die Europese samenlevingen zichzelf opleggen: je mag ‘niks’ over de islam zeggen, op straffe van intellectueel ostracisme, juridische knevelarij, of erger. Zie de vervolging van de assimilationistische politicus Geert Wilders en de moord op Theo van Gogh, een gruweldaad die een scharnierpunt is gebleken in de radicalisering van de Nederlandse islamkritiek.

Aan die laatste feiten is natuurlijk niets af te doen. Europese samenlevingen worstelen hevig met de steeds zichtbaardere plaats die grote aantallen moslims erin innemen. En inderdaad, het onbekommerde multiculturalisme van weleer biedt geen soelaas meer voor een breed gedeeld gevoel van vervreemding en ontworteling. Radicaal islamitisch activisme is intussen een vehikel geworden voor adolescente onvrede en zelfs voor terrorisme. De gevaren daarvan zijn zeker reëel.

Vijfde colonne

Maar dat betekent nog niet dat er een levensvatbaar islamitisch plan zou bestaan om Europa te bezetten, waarvan de huidige generaties islamitische immigranten de op afstand bestuurde vijfde colonne zouden zijn. De meeste Europese moslims blijken hun religieuze overtuigingen juist heel goed verenigbaar te vinden met een seculier, democratisch staatsbestel, dat hun meer kansen biedt dan ze in hun landen van herkomst hebben. Het idee dat mét hun komst de triomf van de extremistische islam nakende is, reduceert een grote groep onderling zeer verschillende groepen en individuen tot willoze ‘dragers’ van een identieke ‘fascistische’ ideologie. De islam wordt door critici die dit betogen (uiteraard met de bijsluiter dat ze ‘niets’ tegen moslims hebben) ook bewust aangeduid als een ‘ideologie’ en niet als een religie, mede omdat ideologieën niet vallen onder de grondwettelijk beschermde vrijheid van godsdienst.

Zelfs de cijfers zijn niet eenduidig. Er leven nu 15 miljoen moslims in de Europese Unie op een bevolkingsaantal van 500 miljoen. Dat lijkt een nogal smalle basis voor een nieuw kalifaat, zelfs als dat aantal binnen vijftig jaar verdubbelt. En demografische prognoses zijn bovendien ongewis, omdat moslims nu eenmaal geen homogene of statische groep vormen. Laat staan dat de islamitische gemeenschappen in Engeland, Duitsland en Nederland één gemeenschap vormen, die wordt bestuurd vanuit een jihadistische controlekamer.

Dat de vrijheid van meningsuiting in Europa onder druk staat van religieuze en culturele pressiegroepen, een ander cruciaal punt in deze boeken, is op zichzelf ook waar, maar betekent dat werkelijk dat islamcritici, zoals hun zelfbeeld wil, een belaagde minderheid zijn in een zee van politiek-correcte dhimmitude? Het tegendeel lijkt eerder het geval: de kritiek op de islam, en op moslims, is in Nederland juist heftiger en radicaler dan ooit tevoren. De overtuiging dat de islam strijdig is met de ‘kernwaarden’ van onze cultuur is zo langzamerhand een huis-, tuin- en keukenwaarheid geworden, uitgevent door politici en ‘opiniemakers’, net als de misvatting dat de islam het gedrag van moslims volledig determineert, of het nu gaat om Talibaan in Afghanistan of Marokkaanse straatjongens in Gouda. Tussen het al te concrete niveau van dit soort incidenten en het al te abstracte van een metafysisch soort cultuurpessimisme, lijkt elk middenniveau in de islamkritiek gaandeweg uit zicht te zijn geraakt.

Het kan ook anders. De Britse historicus en wetenschapsfilosoof Kenan Malik heeft in From Fatwa to Jihad een open oog voor de gevaren van de radicale islam en voor het racisme in de Britse samenleving van de jaren tachtig, maar zonder door te slaan in het alarmistische goed-kwaaddenken van neoconservatieven. Malik, kind van Pakistaanse immigranten, laat overtuigend zien, met een beroep op zijn eigen Werdegang en politieke vorming, hoe kinderen van niet-westerse immigranten in Engeland onder invloed van het racisme van de repressieve jaren tachtig en de Rushdie-affaire het marxisme verruilden voor islamisme als banier voor hun protest tegen de klassenmaatschappij. Malik analyseert de Rushdie-zaak als een heilloze confrontatie van ‘mythes’; de mythe van het blasfemische Westen versus die van de triomfantelijke islam. Zijn diagnose is voorzichtig optimistisch: de toestand is ernstig, maar ‘wij’ zijn niet zo machteloos als we denken en ‘zij’ zijn niet zulke monsters.

Ideeënboeken

Deze auteur heeft gelukkig ook een scherp gevoel voor de complexe maatschappelijke realiteit, dat soms node wordt gemist in hooggestemde ‘ideëenboeken’ als Eindstrijd. Zo wijst hij erop dat de Britse situatie, met veelal Pakistaanse moslims die eerder onderdaan waren van het Empire, een wezenlijk andere is dan die van Duitsland of Nederland, met Turkse en Marokkaanse migranten. Daarmee volgt hij de Franse islamkenner Gilles Kepel, die er in Beyond Terror and Martyrdom (Harvard, 2008) op hamert dat de lokale context cruciaal is voor de controverses rond immigratie en islam. De concurrerende ‘grote verhalen’ die het debat domineren – het neoconservatisme en het radicale islamisme – schieten volgens hem beide tekort.

Malik heeft goede hoop dat nieuwe generaties moslims een actieve, zinvolle rol zullen spelen in Europese samenlevingen, als de contraproductieve mythes aan beide kanten maar kunnen worden overwonnen. Misschien is dat weer iets te veel gedacht als Barack Obama, maar de richting is goed. De fixatie op de kolonisatie van Europa door moslims berust op een eenzijdige en veel te abstracte analyse van de manier waarop moslims zich in Europa gedragen. De terreurdaden in Madrid, Londen en Amsterdam, het is al vaak opgemerkt, werden uitgevoerd door verwesterste jonge mannen die de jihad gebruiken als kanaal voor hun rancune tegen een samenleving waar ze enerzijds naar hunkeren, maar die ze anderzijds verafschuwen.

Dat maakt de situatie niet onschuldiger, maar weerlegt wel het idee dat we te maken hebben met een vijand van buiten die, belichaamd in honderdduizenden identieke moslims, op het punt staat de boel ‘over te nemen’. Die angst is eerder zelf het meest pregnante teken van ongeloof in de vitaliteit van een Europese cultuur.