De jonge Simon

Simon Vinkenoog: Hartslag. Verkenningen van een experimenteel 1949-1960. Brumes Blondes, 134 blz. € 17,–

De eeuwige jeugd van Simon Vinkenoog is de afgelopen dagen zo vaak gememoreerd dat je zou vergeten dat de zondag op 80-jarige leeftijd overleden dichter ook écht jong is geweest. En hoe! De vorige maand verschenen bundel Hartslag met artikelen uit de jaren vijftig toont de 21-jarige Vinkenoog met een ontwapenende onstuimigheid, varend op intuïtie en voor niemand bang.

Het bundeltje begint met een aantal stukken uit Blurb, het eenmanstijdschrift dat Vinkenoog vanaf 1950 vanuit Parijs op Nederland afvuurde. Het beroemd geworden openingsartikel is een harde boutade tegen de experimentele groep Reflex. Niet omdat hij het experiment van Appel, Constant en Corneille verfoeide, maar omdat hij bezwaar maakte tegen hun politieke (marxistische) engagement. ‘De komende generaties zullen geen revolutie met de wapenen moeten doormaken, maar een revolutie in de geest.’ De door het surrealisme aangeraakte Vinkenoog kon niet vermoeden hoezeer hij de zestig volgende jaren naar dat adagium zou leven.

Vinkenoog staat te trappelen om de nieuwe tijd te betreden, sinds de oorlog is er vijf jaar verspeeld, hij signaleert dat de mens ‘vele dode bomen heeft laten staan, het onkruid heeft vermeden, nog niet heeft gezaaid en er ook verder niet veel van heeft gemaakt’. Het zal van de jonge schrijvers moeten komen: zie een liefdevolle beschouwing over het ‘wonderkind’ Hugo Claus (aldus de 22-jarige Vinkenoog), zie de inleiding bij de legendarische bloemlezing Atonaal uit 1951.

Zo groot als de liefde is voor wat goed is, zo diep gevoeld is de weerzin tegen de conformistische jeugd – en zo groot is de weerzin tegen Harry Mulisch. In de ‘Open brief aan Harry Mulisch, enige zaken behelzende die iedereen aangaan’ (1954) wordt Mulisch resoluut weggezet: ‘waar het op neerkomt is dat je geprezen werd omdat je werk ongevaarlijk was, het water in de wijn, er kon schoudergeklopt worden en je kon naar voren worden geschoven, daar was dan tenslotte die jonge schrijver die het goed met de mensen meende, die niemand lelijke dingen vertelde, die nauwelijks vieze woorden gebruikte, die welriekend was, hoffelijk en hartstikkedood.’

Overigens zijn niet alle stukken in het door de kleine Bloemendaalse uitgeverij Brumes Blondes met zorg gemaakte bundeltje zo scherp. Sommige zijn niet meer dan zeer korte signalementen en wanneer Vinkenoog op bezoek gaat bij een collega-schrijver als Guy Dupré komt hij niet veel verder dan een vragenlijstje in de trant van ‘Wat vindt u van André Breton?’ en ‘Welke schrijvers onder de jongeren vindt u van belang?’

Een gelijksoortig gesprek met Roger Caillois, auteur van Babel – ‘dat ik woedend van me afgooide, maar dat ik nu zou willen herlezen als ik het kon vinden’ – wordt tegen het eind wel weer aardig omdat interviewer en geïnterviewde het aan de stok krijgen over de merites van Queneau.

Dat tekent het temperament van Vinkenoog, dat de stuwende kracht is in deze bundel, waarin hij zonder omhaal van mening durft te veranderen. Voor zover er een leidend principe is, is dat wat de jonge schrijver wat onhandig zijn filosofie van ‘de haat’ noemde. ‘Het gevecht haat tegen dood duurt eeuwig. Het is een gevecht op alle wapenen en met verschillende bondgenoten, die verraad kunnen plegen en ontrouw worden.’ Vervang haat door liefde en het is de Vinkenoog die tot vorige week door Nederland raasde.