Blinde vlekken

Een vriend vertelde me enigszins beschroomd dat hij geen boeken kan lezen. Hij probeert het wel, maar omdat personages voor hem geen duidelijk gezicht krijgen, leest hij over grijze vlekken die als spoken rondtasten in wisselende decors. Omdat hij nog geen roman heeft kunnen vinden zonder mensen, leest hij liever niet. Ik heb gezocht naar een boek voor hem, maar ik blijk geen exemplaar zonder mensen te kennen.

Ook ik zie vlekken. In het verhaal Lucky we live now van Kate Atkinson (te lezen op living.scotsman.com van 4 juli) liep de naam Genevieve als een smet over de pagina. De keuze voor deze opzichtige naam deed me het boek bij de tweede zin al bijna dichtslaan, tot ik aan andere vlekken moest denken. Tot voor kort sloeg ik ook natuurbeschrijvingen systematisch over. Blablabla dacht ik, terwijl ik mijn oog over struiken en bosranden liet vluchten, net zolang tot de natuurvlek week voor wat ik als meer inhoudelijk beschouwde.

De omslag kwam toen ik Never let me go van Kazuo Ishiguro las, een roman over een Engelse onderklasse die bestaat uit mensen die leven met als enig doel organen af te staan aan hun meerderen. Deze donateurs hebben een gemiddelde levensverwachting van dertig jaar. Ze worden ontmoedigd lief te hebben. Nageslacht is geen optie.

Twee donateurs worden tegen beter weten in verliefd. Het is een zeldzame, enorme, echte liefde die Ishiguro invoelbaar maakt. Op een gegeven moment zitten de twee in een tochtend bushokje.

Blablabla dacht ik toen ik zag dat Ishiguro begon aan de gedetailleerde beschrijving van het bouwseltje in zijn omgeving. Maar iets in zijn toon hield mijn aandacht vast. Ishiguro weet het bushokje en het landschap erachter zo te beschrijven dat de kieren in het hok en de omringende, dreigende leegte het einde van de relatie aankondigen.

Nu ik weet hoe geladen een natuurbeschrijving kan zijn, zie ik alle landschappen die ik in het verleden heb genegeerd zich verzamelen in een tuin waar ik geen toegang toe heb. Deze tuin is bevolkt met personages die namen dragen als Genevieve. Gelukkig heb ik haar nu net wél leren kennen. Kate Atkinson beschrijft in Lucky we live now Engeland na de crisis. De winkels zijn leeg. Iedereen is werkloos en scharrelt eten bij elkaar op straat.

Genevieve ziet alles in haar huis terugkeren naar waar het ooit uit is ontstaan. Het begint met rupsen die haar tapijt opeten: cocoons – coffin and casket, winding-sheet and swaddling clothes, all rolled into one. Alles van kasjmir in de kast wordt opgevreten door geiten. Een leren jas van Jil Sander wordt een kangaroe, een exemplaar van Armani een hert. Schoenen maken plaats voor een koe met treurige ogen, Uggs en dekens voor een kudde schapen. Waar de meubels staan, verrijst een klein bos.

Wanneer Genevieve naar buiten gaat, merkt ze dat zij de aanstichtster is van alle omwentelingen. „Misschien had je beter binnen kunnen blijven”, zegt haar moeder wanneer ze zien dat gebouwen in hopen steen en plassen water ineen zakken. De stad verkruimelt onder haar blik.

In deze absurde wereld is de naam Genevieve bijna alledaags. Genevieve – tuinarchitect van beroep – blijkt niemand minder dan God. Aan het slot van het verhaal schilt ze een appel met een klein scherp mesje. De schil valt in een spiraal op de grond en slingert weg als een slang, om te verdwijnen in het hoge groene gras onder de appelboom.

God krijgt een herkansing: „OK”, she agreed. „No people this time.”