Oradour-sur-Glane

Charles de Gaulle was ook een groot kunstenaar.

In 1945 arriveerde deze latere president van Frankrijk in Oradour-sur-Glane, een dorpje in de buurt van Limoges, dat door de Duitsers volledig verwoest was. Hij was toen leider van de voorlopige Franse regering. De Gaulle zei verontwaardigd dat het dorp zo bewaard moest blijven, als één grote ruïne, opdat de wereld het niet zou vergeten.

Het was de creatieve beslissing van een kunstenaar die intuïtief aanvoelt hoe hij de vergankelijkheid moet bestrijden. Zeventien jaar later reed een andere grote kunstenaar langs Oradour, Willem Frederik Hermans. De naam Oradour was toen nog geen internationaal begrip. Hermans werd getroffen door de onwezenlijke, bijna kunstmatige sfeer van Oradour. „Niets dat echt is, ziet er zo uit alsof het namaak is als Oradour”, schreef hij. „Toch is de atmosfeer zo sinister dat je de indruk krijgt dat zoveel menselijk lijden nooit helemaal verdwijnen kan [...].”

Toen ik dat essay van Hermans in zijn bundel Het sadistische universum gelezen had, wist ik dat ik Oradour ooit een keer zelf moest zien. Ik heb er met mijn reisgenoten een paar uur rondgelopen. Wat me opviel was dat we vrij zacht bleven praten, alsof we bang waren dat we iemand wakker zouden maken. En Sarah, met 16 jaar de jongste van ons allemaal, bleef het langst zwijgend stilstaan bij al die plekken van gestolde verschrikking.

Iedereen zou Oradour moeten zien, daar had De Gaulle groot gelijk in. Het stinkt er naar de hel die mensen elkaar aandoen. Op 10 juni 1944 viel hier een regiment van de SS-pantserdivisie Das Reich binnen. Ze haalden alle mensen uit hun huizen, scheidden de mannen van de vrouwen en kinderen, dreven hen op verschillende plekken bijeen en vermoordden hen. Er kwamen 642 mensen om, slechts zes mensen overleefden het. Het motief is onduidelijk gebleven. Vermoedelijk heeft de geallieerde inval in Normandië, vier dagen eerder, een rol gespeeld.

Maar waarom Oradour? Op het dorpje was ook door de Duitsers niets aan te merken. Ze lieten zich er dan ook nauwelijks zien. Het Franse verzet had in de buurt op 8 juni een spoorbrug opgeblazen, er was daarbij een Duitse soldaat gedood die bevriend was met majoor Dickmann, leider van de militaire operatie. Had dat er misschien mee te maken? Hoe dan ook, Oradour stond niet bekend als een verzetshaard, het was een vredig dorp.

Oradour moet ook een redelijk welvarend, bedrijvig dorp zijn geweest. Er werkten in die paar straten bakkers, kleermakers, kappers en smeden. Hun naambordjes hangen nog aan de gevels. De verkoolde karkassen van hun auto’s, ploegen en vooral naaimachines (Singer!) staren je aan uit de open ogen van hun verbrande huizen.

De inwoners hebben meer met verwondering dan met angst op de Duitse inval gereageerd. Ze konden niet geloven dat hun iets aangedaan zou worden. Hun argeloosheid is in al hun bewaard gebleven bezittingen achtergebleven, vooral in die naaimachines die verwijzen naar een leven dat nog door eigen hand maakbaar leek. Maar Oradour herinnert vooral aan de Oradours die nog zouden volgen, in Vietnam, Cambodja, Rwanda, Srebrenica, noem maar op. Het is niet helemaal gegaan zoals De Gaulle het bedoelde: we zijn Oradour weliswaar niet vergeten, maar we hebben het gekopieerd.