Gezocht bij bank: de juiste kreukelzone

In de discussie over de toekomst van banken is vooral duidelijk wat er niet mogelijk is. Hamvraag blijft: hoeveel reserves moeten banken hebben.

Zouden ze bestaan, tegenstanders van de kabinetsvisie op de toekomst van de financiële sector? Wie is er voor zwakke, ondoorzichtige en onverantwoordelijke banken?

Minister Wouter Bos (Financiën, PvdA) zal geen weerstand ondervinden bij zijn uitgangspunt dat financiële instellingen solide, transparant en verantwoordelijk moeten zijn, een visie die vorige week door het kabinet naar buiten werd gebracht. Maar de vraag is: hoe krijg je dat voor elkaar?

Hoe stimuleer je dat banken kleiner worden, minder risico nemen en meer inzage geven in hun reilen en zeilen? En wat moet en kan eenvoudigweg door politiek, beleidsmakers en toezichthouders worden opgelegd?

Zulke vragen klemmen te meer nu de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs, net van het staatsinfuus af, een miljardenrecord aan bonussen voor bankiers voorziet. Collectief blijken banken niet zonder staatsgarantie te kunnen functioneren, individueel is de verleiding vaak te groot om toch uitzonderlijk hoge beloningen te geven, beloningen die wringen met de semipublieke status van banken.

In het Verenigd Koninkrijk stelde een door de regering ingestelde bankencommissie vanochtend voor om alle bovengemiddelde lonen in de sector publiek te maken. Zulke ‘transparantie’ heeft in het gewone bedrijfsleven overigens niet tot matiging geleid. Het heeft eerder aangetoond dat deze tot een haasje-over-effect leidt.

Het is vooral steeds duidelijker wat allemaal niet kan. Een splitsing in veilige spaarbanken en risicovolle zakenbanken? Bos flirtte met dit idee van verschillende economen, maar schiet het zelf af. President Nout Wellink zal opgelucht zijn, hij zag er nooit wat in.

Innovaties in de financiële sector aan banden leggen door ze net als medicijnen in de farmasector eerst te testen en aan toelatingseisen te laten voldoen? Wellink vond het een slecht idee. Het zou innovaties remmen en niet uitvoerbaar zijn. Bos ziet het bij nader inzien ook niet zitten.

Banken moeten volgens Bos niet meer zo universeel (willen) zijn als in het verleden. Simpel gezegd, ze moeten niet meer alle producten overal ter wereld willen aanbieden. Maar op dezelfde dag dat het kabinet zijn visie openbaarde, publiceerde De Nederlandsche Bank (DNB) een onderzoek dat de centrale bank samen met adviseurs van McKinsey heeft uitgevoerd over de financiële sector in Nederland. Daaruit komt een ander soort bank naar voren dan minister Bos voor ogen heeft.

Een bank die zich te veel specialiseert wordt door de toezichthouder juist als risicovoller gezien dan een breder georiënteerde bank. En Nederlandse bedrijven willen overal ter wereld door hun Nederlandse bank bediend worden. Van de centrale bank hoeven banken niet per se kleiner te worden.

Mathijs Bierman, directeur Triodos Bank, betreurt het dat Bos het idee van een scheiding tussen veilige en minder veilige banken opgeeft. „Die durfbanken zou je eigenlijk niet eens banken moeten noemen. Ik kan me nog voorstellen dat je voor je klanten wel kunt werken met beleggingen en derivaten. Maar je zou het handelen voor eigen risico en rekening moeten verbieden”, zegt Bierman.

DNB is er nog niet uit of juist daar een grens kan worden getrokken. Bos denkt dat het niet mogelijk is. Hij vreest dat de essentie van het bankiersvak – geld op korte termijn aantrekken om het aan anderen voor langere tijd weer uit te lenen – al een vorm van handelen voor eigen rekening is.

Toch wordt de fundamentele vraag in de discussie over het bankwezen nog steeds niet gesteld, vindt Harald Benink, hoogleraar Bankieren en Financiële Markten in Tilburg. Wat is het minimum aan eigen vermogen dat banken moeten hebben?

Banken hebben vergeleken met andere ondernemingen een zwakke balans. Hun eigen vermogen ten opzichte van het balanstotaal bedraagt een paar procent, terwijl de meeste ondernemingen minstens een solvabiliteit van 20 procent of meer hebben. „Dat is niet altijd zo geweest”, weet Benink. Hij zegt dat het in de 19de eeuw in het bankwezen heel normaal was om zo’n 35 procent eigen vermogen te hebben op de balans.

Bij de kleine buffers is een bank die met tegenvallers kampt al snel failliet. „Die angst was de belangrijkste reden waarom de interbancaire markt vorig najaar zo snel opdroogde. Banken vreesden dat tegenpartijen niet meer solvabel waren met een vertrouwenscrisis als gevolg.” De vraag is dan hoeveel nodig is om straks een hernieuwd vertrouwen te schragen.

En als die vraag beantwoord is, moet het belangrijkste nog komen: de uitvoering. Over de kracht van een bankbalans heeft een Nederlands kabinet weinig te zeggen. Die buffers worden vastgesteld door het Bazel Comité, een verzameling centralebankiers die internationaal afspraken maakt over het toezicht (zie inzet).

Nederland heeft een unieke positie in die discussie. Uitgerekend Nout Wellink is voorzitter van het Bazel Comité dat zich thans buigt over een nieuwe verbetering van de internationale kapitaaleisen.

Op zijn vroegst in de eerste helft van volgend jaar wordt een aangepast kapitaalregime vanuit Bazel verwacht. Over de solvabiliteitsratio, waar hoogleraar Benink op aandringt, wordt nog gediscussieerd. Het meest omstreden punt is of grote banken meer kapitaalbuffers aan moeten houden dan kleine banken. Zo moet het onaantrekkelijker gemaakt worden om tot hele grote banken uit te groeien, die het hele financiële systeem in gevaar kunnen brengen.

Hier speelt het meest de discussie die toch al centraal staat bij het oplappen van de banken. Hoe kan een bank in crisistijd zijn balans versterken? Kapitaal aantrekken op de markt is moeilijk. Het zou betekenen dat de staat als enige of belangrijke nieuwe aandeelhouder nog meer belastinggeld in de financiële instellingen moet stoppen. Wat ook kan is dat banken minder uitlenen, waardoor de economische activiteit verder wordt afgeknepen dan het al door de crisis gebeurt. Voor politici zijn beide geen wenkend perspectief.

Met name Japan en Duitsland zijn tegen extra eisen aan grote banken. Zij vrezen dat het nieuwe kapitaalinjecties in hun banken zal vergen en dat daar weinig steun voor is onder de bevolking. Juist voor Duitsland, met belangrijke verkiezingen voor de deur, telt dat argument zwaar.