Driss is blij

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijkse feuilleton over zijn belevenissen.

Appels Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijkse feuilleton over zijn belevenissen.

De oude mevrouw die mij mijn eerste les Nederlands gaf, heette Hannie van den Oever. Ze was een gepensioneerde lagereschoollerares en woonde in het oude deel van IJmuiden. Deze informatie over haar leven begreep ik pas na een paar maanden Nederlandse les. Daarvoor kende ik woorden als ‘gepensioneerd’ en ‘lagere school’ niet. Niet in het Berbers, en ook niet in het Nederlands.

De eerste keer dat Hannie mij zag, was in de rij voor de kassa in de supermarkt. De caissière sprak in het Nederlands tegen mij, maar ik wist niets terug te zeggen. Op dat moment kreeg Hannie medelijden met mij en besloot om mij Nederlands te leren.

Iedere zondag kwam ik bij Hannie langs voor twee uur les. Voordat de les begon, zaten we eerst in de huiskamer waar een pot thee en een schaal met lange vingers klaar stonden. Tijdens deze voorafjes sprak Hannie altijd honderduit. Als ze daarmee klaar was, legde ze een hand op mijn schouder en zei: „Je begrijpt er helemaal niets van, he? Maar daarom ben je hier ook. Kom, we gaan naar de keuken.”

Tijdens de les moest ik allerlei soorten letters overtrekken en leerde ik de namen van beesten en voorwerpen. Van wat ik leerde, moest ik kleine zinnetjes maken, die altijd begonnen met Driss. „Driss loopt.” „Driss koopt een brood.” „Driss is blij.”

Ik keek altijd uit naar de zondagmiddag. Hannie was goed voor mij. Ze gaf me thee met koekjes, leerde mij de taal, en aan het eind van de les kreeg ik altijd een groene appel mee voor onderweg.

Eén zondagmiddag kwam ik thuis met een appel en een paar nieuwe woorden Nederlands. Kemal de Turk en mijn neef Mustapha zaten op de bank in de huiskamer. Ze spraken tegen elkaar in het Turks en het Berbers, maar vielen onmiddellijk stil toen ze mij opmerkten.

„Driss is blij”, riep ik in het Nederlands. Mustapha keek beschaamd de andere kant op. „Waarom jij Nederlands?” schreeuwde Kemal met een rood hoofd. „Jij niet Nederlands! Jij Marokkaan! Jij müslim!”

„Driss dood”, zuchtte Mustapha. „Hij nu Peter.”

Het zat ze al langer dwars dat ik Nederlands leerde. Volgens hen was ik mijn afkomst aan het verloochenen door zoveel interesse in de taal te stellen. In het begin heb ik nog geprobeerd hen mee te krijgen naar Hannie, maar tevergeefs. Elk nieuw Nederlands woord dat ze leerden, beschouwden ze als een belediging van hun eigen taal; en het enige wat nog echt van hen was in Nederland, was hun moedertaal.

Ik ging met mijn appeltje naar de slaapkamer en dacht na over wat Kemal en Mustapha zeiden. Verried ik mijn moedertaal door Nederlands te leren? Ik begreep niet hoe ze daar bij kwamen. Mijn taal zat in mijn merg, die zou ik nooit kwijtraken, al zou ik honderd Nederlandse woorden kennen.

Wat Mustapha en Kemal ook te zeggen hadden, ik zou doorgaan met Nederlands leren, want wat ik nooit meer wilde meemaken was de vernedering die ik onderging als iemand mij in het Nederlands aansprak en ik niets terug kon zeggen. Dat gebeurde mij in de supermarkt en dat gebeurde mij in de kantine op het werk toen ik niet meer dan twee woorden uit kon brengen tegen het mooiste meisje dat ik ooit zag. Dat zou mij nooit meer overkomen.