Zonder Guo zou Peking niet de hoofdstad van China zijn

Momenteel lees ik ‘Beijing City of Heavenly Tranquillity’ van  de Amerikaanse sinoloog Jasper Beck, een boek dat ik iedereen kan aanraden. Beck plaatst Peking in een historisch perspectief, vertelt veel boeiende wetenswaardigheden en beschrijft wat er na de bouwwoede van de laatste decennia nog over is gebleven van het historische  stadshart. Beck schrijft ook over

Momenteel lees ik ‘Beijing City of Heavenly Tranquillity’ van  de Amerikaanse sinoloog Jasper Beck, een boek dat ik iedereen kan aanraden. Beck plaatst Peking in een historisch perspectief, vertelt veel boeiende wetenswaardigheden en beschrijft wat er na de bouwwoede van de laatste decennia nog over is gebleven van het historische  stadshart.

Beck schrijft ook over de astronoom en waterbouwkundig  ingenieur Guo Shoujing die Peking   in opdracht van  de Mongoolse veroveraar Kubilai Kahn  een waterweg bouwde met aansluiting op  het kanaal  dat van Hangzhou naar het district Tongxian stroomt.

Kubilai liet  zijn eigen keizerlijke stad bouwen (Dadu) en de  door Guo gegraven verbinding  werd door Kubilai Kahn de ‘Tonghui ‘ oftwel  de ‘Schone Verbinding’  genoemd .

Dit verbindingskanaal bestaat nog steeds. Het ligt aan het Houhaimeer  waar toeristen een riksja huren om de oude hutongs (letterlijk  ‘ waterput ‘ )   te verkennen. Het ligt nagenoeg  droog en er hangt een net in om dorre bladeren en afval op te vangen.

Op het punt dat de ‘Tonghui’ de oude stadsmuren,waar nu de tweede ringweg loopt, bereikte, ging het over in de Jishuitan (letterlijk ‘ waterreservoir ‘ ) dat via de kleine rivier de Chang he in verbinding staat met het Kunmingmeer bij het Zomerpaleis.

In de buurt van de Chang he  staat op een heuvel een museum van de grote  Guo Shoujing. Toen ik vorige week het museum bezocht, realiseerde ik me dat zonder  ingenieur Guo Peking nooit tot hoofdstad van China zou zijn uitgeroepen.

In het museum zijn drie zaaltjes ingericht  over zijn  leven  en werk . In elke zaal staan  wel  vijf suppoosten  die alles blijken te weten van deze Chinese Cornelis Lely.

Met het graven van het kanaal van Hangzhou (niet ver van Shanghai) werd al begonnen rond het jaar 500 toen de Sui dynastie Noord--China en Korea wilde veroveren.

Ongeveer 5 miljoen mensen groeven kanalen die de Yangtze, de Huai en de Gele Rivier met elkaar verbonden. Handelslieden gaven er de voorkeur aan om hun handelswaar via het kanaal te vervoeren omdat schepen op zee doelwit waren van vooral Japanse piraten.

Het kanaal begon in Hangzhou,  door Marco Polo ooit als rijkste stad ter wereld  omschreven. Onder de  Manchus die regeerden van 1611 -1911 trokken jaarlijks zo’n  100.000 boeren 11.000 schuiten door het kanaal.


Peking was  voor rijst afhankelijk van het zuiden en vlak bij de Verboden stad waren door de Mongolen enorme depots voor onder meer rijst en porselein gebouwd.

Nog altijd zijn in Peking steegjes te vinden met namen  als miliangku (rijstdepot) of ciqiku (porseleindepot).