Waarom ik het Filmfonds links laat liggen

Het Filmfonds wil nu ook de Nederlandse ‘auteursfilm’ stimuleren.

Maar als filmmaker word ik al afgeschrikt door hun website vol reglementen.

Waarom ik het Filmfonds links laat liggen Jarenlange aanvraagprocedures en eisen over het scenario zijn dodelijk voor eigenzinnige filmmakers Illustratie Merlijn Draisma Draisma, Merlijn

Hoe zou een film over het Nederlands Filmfonds eruitzien? Mijn gok: zoiets als Michelangelo Antonioni’s L’Avventura. Bevolkt door personages die met goede moed beginnen aan de verwezenlijking van hun doel, maar uiteindelijk verdwalen en verdrinken te midden van een rigide architectuur. Ik heb zelf nog nooit een aanvraag bij het Filmfonds gedaan. Ik word al afgeschrikt door een bezoekje aan de website van het Filmfonds, die een labyrint van aanmeldprocedures en trajectvoorschriften is. Je vraagt je bij zo’n bezoekje af of dit een instelling voor cineasten is of voor filmende boekhouders.

Hoewel de bij het Fonds beschikbare budgetten anders doen vermoeden, wordt hun relatie met de auteursfilm (film waar de maker sterk zijn persoonlijke stempel op heeft gedrukt) gekenmerkt door angstig gedrag. Zo distantieerde het Fonds zich van Nanouk Leopolds Guernsey. Men schrok schijnbaar van de eigenzinnigheid van de film. Gelukkig werd de subsidieverstrekker gewezen op zijn merkwaardige daad toen de film werd geselecteerd voor Cannes. Die starre houding tegenover auteursfilms is kenmerkend voor het Filmfonds. De onvrede daarover mondde in 2005 uit in een aanval op het Fonds door regisseurs, producenten en scenaristen. De door hen opgerichte Pressiegroep Auteursfilm wilde een einde maken aan de langdurige besluitvorming bij een subsidieaanvraag, het ontbreken van flexibiliteit en de nadruk die op het scenario wordt gelegd. Ze hebben tot nu toe weinig succes gehad.

In mijn ogen lijken de voor onthechting zorgende systemen van het Filmfonds precies op die waarin de personages uit mijn films ronddolen. Mijn films gaan over lieve mensen wier authenticiteit en onbevangenheid is aangetast door een systeem. Een sociaal of maatschappelijk systeem bijvoorbeeld, of een overheidssysteem. Ik ben niet zozeer geïnteresseerd in de oorsprong of werking van de systemen, maar in de uitwerking die ze hebben op de personages. De langzame dood van gevoel en expressie. Dezelfde dood die de auteursfilm in Nederland aan het sterven is, mede dankzij het conservatisme en de controledrang van het Filmfonds.

Vanzelfsprekend moeten subsidieaanvragen grondig worden getoetst op hun artistieke en soms maatschappelijke relevantie. Er moeten bepaalde maatstaven gehanteerd worden, om de malloten van de vaklieden te kunnen scheiden. Het doorlichten van een script kan daar een goed werktuig voor zijn en biedt bovendien de gelegenheid voor de filmmaker om ruggespraak met het Filmfonds te houden. Maar ik werk op basis van improvisatie, een werkwijze die het Fonds nogal schijnt te benauwen. Ik weet niet van tevoren wat voor film ik precies ga maken. Ik weet alleen dat ze altijd over gebutste mensen gaan.

Het is die pijn en frustratie van die gebutste, door ervaringen en omstandigheden kromgebogen mensen, die mij films doet maken. En om dat op een authentieke manier in beeld te kunnen brengen, kan ik per definitie alleen werken met mensen die hun pijn durven te tonen, of in ieder geval een wezenlijk deel daarvan. Allereerst moet ik zelf met mijn kloten op het hakblok om mensen uit hun tent te lokken. En geduld hebben, als een fotograaf die op de steppe het juiste moment afwacht om een schuchter hert in beeld te vangen. De acteurs –vrijwel altijd onervaren mensen die ik in kroegen ronsel – hebben vrijheid en veiligheid nodig om op intuïtie te kunnen werken. Daarbij heb ik scripts altijd als belemmerend ervaren.

Als een film enige urgentie heeft, zij het voor mij persoonlijk of in een groter verband, moet hij snel gemaakt kunnen worden. Tijd is de grootste vijand van het momentum dat ik in beeld probeer te vangen. Wil het Filmfonds ook filmmakers als ik stimuleren – en dat is volgens de website een van de doelstellingen – dan zal het de soms jarenlange wachttijden die aan de aanvraagtrajecten kleven aanzienlijk moeten verkorten. Wellicht kan er worden nagedacht over een speciaal traject voor low budget auteursfilms. Film is een uitstekend medium om de etterbuilen van Nederland mee open te snijden. Om een relevante filmcultuur tot stand te brengen is het zaak filmmakers te faciliteren voordat die etterbuilen zijn uitgedroogd. Nederlandse films zijn te vaak oud nieuws.

Ook zonder genoeglijk vooruitzicht op financiering moet er gewerkt worden. Voor mijn nieuwe film, die we over twee weken gaan opnemen, is geen cent beschikbaar. Maakt voor mij niks uit, ik heb nog nooit op de loonlijst gestaan. Maar niet alles kan gratis. Er is 12.500 euro nodig. Het worden onzekere weken, maar die film gaat gemaakt worden. Ook dit keer zal het lukken. Ik heb slechts een vage notie van het eindresultaat. Natuurlijk heb ik een plan en een verhaal, maar dat zal ongetwijfeld tien keer op z’n kop gezet worden.

In die zin ben ik het hoofdpersonage uit Antonioni’s L’Avventura. Eigenwijs op pad. Vervolgens lekker verdwalen. Maar liever niet in aanvraagtrajecten. In een recent interview met de Volkskrant werd uit monde van Toine Berbers, de deze maand opgestapte directeur van het Filmfonds opgetekend: „De Nederlandse film ontbeert durf. De tijdgeest wordt bij ons niet, of te weinig betrapt. Er zijn weinig makers met een eigen signatuur.” Ik wil wel dansen, maar dan moet het Fonds eerst zijn kisten uittrekken. Want die dingen zijn zo intimiderend als je zelf op sokken loopt.

Thijs Gloger is filmmaker