Stel ontkenning Holocaust niet zomaar strafbaar

Net als bij de wet op de smalende godslastering gaat het bij het strafbaar stellen van de ontkenning van de Holocaust om de intentie van de spreker, betoogt Ger Groot.

In Nederland is de ontkenning van de moord op zo’n zes miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog niet strafbaar, anders dan in sommige van de ons omringende landen. Joël Voordewind, Kamerlid voor de ChristenUnie, heeft vorige week aangekondigd zo’n wetsvoorstel te willen indienen. Dat is geen goed idee.

De wet is er niet voor bedoeld te bepalen wat in de geschiedenis al dan niet heeft plaatsgevonden. Dat is een zaak die met behulp van onderzoek, feitenmateriaal en discussie in het wetenschappelijk debat moet worden uitgevochten. Een wet die dit debat buiten de orde plaatst, begeeft zich niet alleen op een terrein waar deze niets te zoeken heeft, maar heeft waarschijnlijk ook alleen maar averechtse gevolgen. Het lijkt dan alsof zo’n wet zèlf iets wil verbergen.

Bovendien komt een dergelijke bepaling rechtstreeks in conflict met het principe van vrije meningsuiting. Om die reden pleitte VVD-leider Mark Rutte een maand geleden juist voor afschaffing van het negationisme-verbod – in de kennelijke veronderstelling dat dat in Nederland reeds bestond.

De kritiek die over Rutte losbarstte maakte echter duidelijk dat hij geraakt had aan een bijna sacraal taboe. Inderdaad gaat het bij Holocaustontkenning zelden alleen over een neutraal historisch debat. Het nationale trauma van de Tweede Wereldoorlog èn het mededogen met de slachtoffers daarvan is in het geding. Holocaustontkenning gaat meestal gepaard met antisemitisme.

Voordewind wijst bij de verdediging van zijn wetsvoorstel vooral op dat laatste. Maar daarmee raakt de discussie vertroebeld. Ter wille van zijn prijzenswaardige zorg voor kwetsbare groepen wil hij het debat verbieden – en komt zo in botsing met een ander Nederlands grondrecht.

Hoe bizar de geventileerde meningen ook mogen zijn, het recht op vrije meningsuiting is een groot goed, zoals Rutte terecht stelde. Om de zaken hier enigszins te ontwarren, moeten we een blik werpen op het andere, al even sacrale hete hangijzer uit het debat over de vrije meningsuiting: het godslasteringsverbod.

Ten onrechte wordt vaak aangenomen dat dit wetsartikel de ontkenning van het bestaan van God strafbaar stelt. Was dat zo, dan zou ook hier het principe worden geschaad dat de wet zich niet moet uitspreken over niet-juridische feiten. In werkelijkheid spreekt dit wetsartikel slechts een verbod uit op smalende godslastering. Het gaat dus niet over het bestaan van God op zich, maar over de intentie waarmee de ontkenning gedaan wordt. Of iets ‘smalend’ is, heeft immers te maken met het effect dat zo’n uitspraak op andere mensen heeft.

Dat laatste is wel een zaak van de wetgever. Sinds de overheid het geweldsmonopolie aan zich heeft getrokken, heeft ze zich er ook toe verplicht de burger te beschermen. Daarom zeggen wij tegen geradicaliseerde gelovigen dat zij, als zij zich in hun diepste overtuigingen gekwetst voelen, tot de rechter moeten wenden en niet tot eigenrichting mogen overgaan.

Het is goed dat dit godslasteringsartikel nu wordt uitgebreid tot diep gevoelde levensovertuigingen in het algemeen. Want juist omdat het om dergelijke ‘geheiligde’ zaken gaat, is het van de burger vaak te veel gevraagd dat hij ‘er maar tegen moet kunnen’ als hij aanhoudend wordt gekwetst. Ook Nederlanders die niet beschikken over de weerbaarheid van de gemiddelde columnist of opinieleider hebben recht op bescherming van hun morele integriteit.

Uiteraard mag dat laatste nooit op zijn beurt een middel worden om anderen het zwijgen op te leggen. En precies daarom heeft de wetgever de plicht een scherp onderscheid te maken tussen zakelijke meningsuiting en een vorm van verbale agressie die zich alleen maar als meningsuiting vermomt.

De rechter zal, met andere woorden, moeten kijken naar de intentie van degene die zich over dergelijke gevoelige zaken uitlaat. Dat is lastig, maar niet onmogelijk. De veroordelingen die in Nederland wel zijn uitgesproken ten aanzien van Holocaustontkenning, hebben zich dan ook terecht beroepen op de wetten die het schofferen van bevolkingsgroepen strafbaar stellen.

Precies daarom gaat het immers. Feiten zijn in dit soort discussies gewoonlijk slechts vehikels voor waardeoordelen, en het is vooral dat laatste waarvoor mensen extreem gevoelig zijn. Gelovigen kunnen het over het algemeen best hebben wanneer anderen het bestaan van God ontkennen. Maar ze worden hels wanneer ze daarbij terloops zelf worden vernederd.

Voor een nabestaande van de Holocaust zal de ontkenning daarvan zeer pijnlijk zijn, maar ze moet worden onderscheiden van de wil om hem met opzet die pijn toe te brengen. Die twee dingen zijn niet per se hetzelfde. Ter wille van zijn eigen zuiverheid moet de wetgever er dan ook alles aan doen om ze gescheiden te houden.

Ger Groot is filosoof en medewerker van NRC Handelsblad.

U kunt het artikel van Joël Voordewind nalezen op nrc.nl/opinie

    • Ger Groot