Liedjes die niet op de plaat mochten

Een pas ontdekt cassettebandje onthult welke liedjes in de jaren zestig en zeventig niet op de plaat mochten verschijnen. Censuur voor Wim Sonneveld, Nico Haak en Boudewijn de Groot.

Het zoetsappigste lied dat Wim Sonneveld ooit op de plaat heeft gezet, is Er was eens een tuinder in Amstelveen. Het gaat over een man die menigmaal „stiekem des nachts naar de stad verdween”, totdat hij op Kerstavond uit een loods op Schiphol hallelujagezang hoort opklinken, door de ramen naar binnen kijkt, engelen en herders „een schitterend kerstkoraal” ziet zingen en zich prompt tot het geloof bekeert. Met als gevolg dat hij ook nooit meer ’s nachts naar de stad gaat.

Maar wat dééd die tuinder daar dan? „Hij ging naar cafeetjes van licht allooi / en sliep naderhand op de bonnefooi / of het nou Pasen of Pinksteren was / z’n roes uit in het hooi of het gras”, zong Sonneveld. Zo klonk het althans in de versie die in 1965 op zijn grammofoonplaatje Kerstmis... oud en nieuw verscheen. Wat toen echter niet bekend werd, is dat tekstdichter Jean Senn (het pseudoniem van Sonnevelds vriend Huub Janssen) de hoofdpersoon aanvankelijk een heel wat ruigere voorgeschiedenis had gegeven. Volgens de – niet bewaard gebleven – oertekst ging de tuinder niet alleen naar cafeetjes, maar ook naar dames van vergelijkbaar allooi. Welke woorden er precies werden gebruikt (de hoeren of de Wallen) is niet meer te achterhalen. Maar wel weten we nu wie de rosse buurt uit fatsoensoverwegingen heeft laten schrappen. Hij heette Jack Haslinghuis en was directeur van Phonogram, een dochteronderneming van Philips die zich destijds de grootste platenmaatschappij van Nederland mocht noemen.

Uit een lang gesloten gebleven bureaula van een ex-medewerker heeft het kwartaalblad Aether, een uitgave van de Stichting Omroephistorie, een cassettebandje opgediept dat Haslinghuis in 1975 bij zijn afscheid is overhandigd. Onder de titel 9 Heilige Haslinghuisjes werden daarop negen liedjes verzameld die niet op de plaat verschenen omdat de directeur zijn veto had doen gelden. Sommige verbood hij ronduit, andere kwamen pas in gekuiste vorm op de plaat. Tot de laatste categorie behoort, behalve het tuinderslied, ook het nummer dat in 1973 de eerste grote hit van de voormalige Delftse autospuiter Nico Haak zou worden. In de eerste versie heette het Joekelulle: „Wij spelen zo graag op de joekelulle / wij grote knullen / ’t is om te brullen” – enzovoort. De website van producer Peter Koelewijn vertelt dat Haslinghuis, na het beluisteren van een proefpersing, onmiddellijk klaagde dat „de goede naam van het merk Philips in diskrediet gebracht kon worden”. Koelewijn voldeed „morrend” aan de opdracht de tekst te kuisen en maakte er Joekelille van.

Een politieke potpourri van Gerard Cox, waarin toenmalige politici als Norbert Schmelzer, Barend Biesheuvel, Molly Geertsema en freule Wttewaal van Stoetwegen in een parenclub „een triangel” maakten, stuitte bij de Phonogram-directeur echter op een onverbiddelijk verbod. Evenals een nummer van de cabaretgroep Lurelei waarin Jasperina de Jong en Marjan Berk een republikeinse toekomst voor ons land bezongen, en een lied van de protestzanger Armand waarin het Nederlandse publiek als „het klootjesvolk” werd aangeduid.

Ook het ietwat melige De dominee van Amersfoort van Boudewijn de Groot, over een dominee die drie achtereenvolgende echtgenotes vermoordt, maar met de vierde de hele dag „van tierelierelier” gaat, kon niet door de beugel. Dat werd pas vele jaren later toch nog op een verzamelalbum gezet, toen Haslinghuis allang met pensioen was.