Het is nu zaak om niet in te storten

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 8: een nachtlang mee reizen met de trein, over het nachtnet.

Amsterdam Sloterdijk bij nacht. Foto David Galjaard en Christian van der Kooy Galjaard, David;Kooy, Christian van der

Over het spoornet van Nederland reist al jaren een oudere man met een trolleykoffertje eindeloos rondjes. In een net pak stapt hij trein in, trein uit: van nachtnet tot forenzenboemel, van sneltrein tot stoptrein. Een zwerver is hij niet, want zijn dochter betaalt trouw zijn jaarkaart. Maar thuis komt hij nooit.

Het is een van de mooiste spoorweglegendes die conducteur Ildiko weet op te dissen over de nachttrein. De man zou een oudere chirurg zijn, die in de war raakte nadat een mislukte operatie het leven had gekost aan een jong kind. Als een soort boetedoening zwerft hij over de rails – als het verhaal waar is, tenminste.

Ildiko en haar collega Ludwig kennen nog wel meer van dit soort ‘vaste klanten’, die ze bijna allemaal bij naam kennen. Het zijn speciale gevallen, want in het algemeen valt het reuze mee met de gekkigheid in de nachttrein. „Misschien ligt het aan mij hoor”, zegt Ildiko, met quasiverbaasd opengesperde ogen, terwijl ze een hand op haar borst slaat, „maar ik maak nooit van die bizarre dingen mee als mijn collega’s.”

Tuurlijk, er liggen wel eens bierblikjes of frietzakjes op de grond.

Tuurlijk, de meeste passagiers zijn in ‘kennelijke staat’.

En ja, er is wel eens ruzie. Maar er wordt ook een hoop gesnurkt en gelachen op het nachtnet.

„Ach, het hep wel wat”, zegt Ildiko in haar gezellige Amsterdamse accent.

Onze tournee met de nachttrein begint zaterdag even na middernacht in Amsterdam, waar bezoekers op de terugweg van Dance Valley hun afgematte lichamen op de perrons van Sloterdijk storten. Een vrouw met uitpuilende ogen koopt een treinkaartje in de automaat, twee als engeltjes verklede meisjes halen een frikadel bij Smullers.

Op het perron ligt een groepje Australiërs tegen een pilaar. Ze zijn speciaal voor het dansevenement in Spaarnwoude naar Nederland gekomen en blijven een week. „Back home is het nu winter, vijf graden. Dus we wilden even de zon zien”, zegt een meisje dat tot ver in haar decolleté roodverbrand is. Een groepje Ieren likt een laatste portie geluksdrugskristalletjes van hun handen en giechelt besmuikt naar de fotografen.

Van Amsterdam treinen we via Schiphol naar Leiden. „Hier staan we even acht minuten stil”, roept Ildiko door de luidsprekers, „dus als u een sigaret wilt roken moet u dat NU doen.”

Ze zijn eigenlijk meer stewards dan politieagenten, de hoofdconducteurs. En nee, het zijn dus niet alleen potige mannen die de kaartjes controleren op het nachtnet. Sterker nog: de kaartjes worden nauwelijks gecontroleerd. Op elk station is ingangscontrole door het ‘service- en veiligheidsteam’. Die mogen harder optreden tegen eventuele vervelende passagiers.

„Ze kunnen judo”, zegt Ludwig.

„En ze hebben handboeien”, zegt Ildiko.

„Maar dat is een pilot, hoor”, zegt Ludwig.

Er zijn maar weinig treinreizigers, ook al is het zaterdagavond tegen drie uur ’s nachts, hét tijdstip dat cafés sluiten en de treinen vol stromen. „Vakantieperiode”, weet Ildiko. Uit één coupé klinkt zacht gesnurk.

In Den Haag stommelt er een groepje dertigers binnen, mannen en vrouwen. „We zijn een vrijgezellenfeestje”, lacht een man. „Ik ben de vrijgezel, haha.” „Nu niet meer hoor”, lacht een ander. Meer gelach. Braaf gaan ze zitten in de tweede klas in een verder lege trein. Een zelfgeschilderd aardewerken zonnetje uit de gevolgde workshop wordt doorgegeven en bewonderd.

We gaan weer van boord in Rotterdam, waar Ildiko twee uur verplicht moet koffiedrinken volgens haar rooster. Collega’s in de personeelskantine hebben het iets minder rustig gehad. „Ik heb er gisteren vijf in Delft gelaten”, zegt een conducteur uit Amsterdam. „Hingen in de rekken. Apenkooien. Dan ga je er maar uit.” Het groepje conducteurs wisselt anekdotes uit over treinpassagiers.

Vier uur. Het is nu zaak om niet in te storten, zegt Ildiko. We vergezellen hoofdconducteur Arie op het volgende traject.

Een replica van Michiel Romeyn klampt ons aan in de hal van Rotterdam Centraal. „Waar is de trein naar Amsterdam?” Hij heeft lichtblauwe ogen, een woest golvende blond-grijze mat als een pruik uit Jiskefet, en wankelt heen en weer met een peuk in zijn hand en een grijns op zijn gezicht.

Conducteur Arie geeft wat snibbig antwoord: „Dat is de trein naar Utrecht.”

De man: „Maar, ik moet naar Amsterdam.”

Hij komt steeds net iets te dichtbij en is of doodeng, of dolkomisch.

Arie herhaalt: „Dat IS de trein naar Utrecht!” Een verwarrende discussie volgt.

Loop maar mee, zucht Arie ten slotte.

Het is het soort conversatie dat zich nog vele malen zal herhalen. Is dit de trein naar Leiden? Naar Tilburg? Naar Utrecht? Naar Haarlem, Breda, Bussum dan misschien? Ja, nee, ja, nee, nee, nee... Ze voelen zich soms ook wel een beetje kleuterleiders, de conducteurs op de nachttrein.

De trein-wc is traditioneel ondergekotst, vanavond door de Leidse Cor. Hij hoort bij het groepje scholieren dat plat Leids pratend op het balkon zit te dollen. Ze komen uit de Skihut in Rotterdam, dat was echt onwijs gaaf. „Heee Cor!! Moet je nog kotsen!” schatert het groepje.

Cor ligt opgekruld in een tweezitsbankje tegenover de wc, een treinstel verwijderd van zijn vrienden. Soms komt iemand bij hem kijken. „Jezus man, je ziet groen”, zegt een jongen. „Net was hij nog geel”, weet zijn vriendinnetje.

De Jiskefet-replica leunt tegen de trap en staat het tafereel glunderend in zich op te nemen. Hij weet alleen even niet hoe hij heet, en ook niet waar hij vandaan komt. Oh ja, toch: „Van huis.”

Wat hij wel zeker weet is dat je in de eerste- en tweedeklascoupés niet meer mag roken. Dus steekt hij op het tussenbalkon de ene kromgetrapte Marlboro aan met de ander, ze opdreggend uit een verfrommeld pakje in zijn kontzak. „Roken jullie niet?” vraagt hij aan een zestienjarig zoenend stelletje. Op de bank achter hen ligt een jongen onder een Superman-tas met wijdopen mond te slapen.

Met gratis kranten wordt creatief omgegaan op de nachttrein. De één gebruikt ze als hoofdbedekking, tegen het felle tl-licht. Een ander scheurt ze aandachtig in dunne reepjes. Een groepje Portugezen heeft een masker geknutseld van een Obama-portret in de Metro.

Op Schiphol stappen ze uit, terwijl zojuist gelande chartertoeristen weer instappen. „Is dit de trein naar Weesp?” vraagt een stel dat is teruggekeerd uit Tunesië. „Is dit de trein naar Hilversum?” vraagt een stel dat is teruggekeerd uit Turkije. Dan is de eerste zakenman ook daar, teken dat de nacht voorbij is: „Is this the train to The Hague?”

Op het perron in Amsterdam wachten nieuwe passagiers. Drie jongens met grote ogen komen aanhollen en struikelen over hun eigen snelle woordenbrij: „Trn nr Utr? Utr?” Ja hoor, knikt Arie, geamuseerd, „dit is de trein naar Utrecht”.

Een groepje Rotterdammers zit duidelijk in een andere trip. „We waren in de Cooldown”, stralen ze. „Echt vét. Eerste keer stappen in Amsterdam!” Ze moeten nog een half uur wachten, op de trein van half zes.

Nog één ritje naar Utrecht en dan weer terug naar Amsterdam. Conducteur Arie geeft een knipoog en blaast op zijn fluitje. De bewusteloze passagiers horen het al niet meer.

    • Olga van Ditzhuijzen