Het 'ik' wil altijd iemands Idol zijn

Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: hoe definiëren wij onszelf?

Aflevering 3: de mens als verlangen naar bevestiging.

Het ‘ik’ wil altijd iemands Idol zijn Hoe erkenning onze identiteit bepaalt de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: hoe definiëren wij onszelf? Foto Paulien Oltheten oosterse goeroe Oltheten, Paulien

Op de, en, ja en eh na, is ik het meest gebruikte woord uit de Nederlandse taal. Niet dat alleen Nederlanders grote ego’s hebben. In bijna alle talen spreken mensen het vaakst over zichzelf. De term ik is dan ook niet onbelangrijk: ze onderscheidt ons van alle andere diersoorten op aarde. Dieren hebben immers wel een bewustzijn, sommigen zelfs een beperkt zelfbewustzijn, maar alleen de mens is zelfbewust genoeg om daadwerkelijk te kunnen spreken van een ‘ik’.

Hoe dat zelfbewustzijn is ontstaan, is een van de grootste raadsels waar de filosofie en wetenschap zich voor gesteld zien. Evolutionair bekeken is het duidelijk dat het vermogen tot zelfreflectie grote voordelen biedt. Doordat de mens zich niet alleen bewust is van de wereld om hem heen, maar ook van zijn eigen plaats daarin, kan hij bijvoorbeeld, anders dan dieren, beloftes doen (‘ik ben om drie uur weer terug’) of afspraken maken (‘als jij mij dat geeft, geef ik jou dit terug’). Dit vergroot zijn overlevingskans aanzienlijk. Maar waarom alleen de mens het simpele bewustzijn is ontstegen, blijft onduidelijk.

Toch zijn er filosofen die zich aan een verklaring hebben gewaagd. Een van de meest interessante theorieën over het ontstaan van zelfbewustzijn is afkomstig van de Duitse denker Georg Hegel (1770-1831) en zijn Russische volgeling Alexandre Kojève (1902-1968). Zij vonden dat hun Franse voorganger René Descartes (1596-1650) weliswaar terecht had geconstateerd dat het zelfbewustzijn een fundamentele waarheid over ons bestaan blootlegt (‘ik denk dus ik ben’), maar bekritiseerden het feit dat hij vergat te verklaren hoe dat zelfbewustzijn tot stand is gekomen. Of, zoals Kojève zegt: „Descartes richtte zich volledig op het denken en negeerde zo het ‘ik’ dat denkt.”

Nu is hun theorie te complex om volledig uit de doeken te doen, maar een schets is wel te maken. Kort samengevat stellen Hegel en Kojève dat het zelfbewustzijn van de mens is voortgekomen uit een permanent verlangen naar erkenning. Dat klinkt abstract, maar kan als volgt worden begrepen.

De kiem van zelfbewustzijn is volgens Hegel en Kojève gelegen in een biologisch verlangen dat voortkomt uit een gebrek. Dieren die bijvoorbeeld een gebrek aan eten hebben, krijgen honger – oftewel, een verlangen dat gebrek te vervullen. En dat verlangen, zo luidt de theorie, gaat noodzakelijkerwijs gepaard met een vorm van zelfbewustzijn.

Want, zodra het dier zich bewust is van het verlangen, beseft hij dat er een gebrek is in zichzelf, dat vervuld moet worden door iets buiten zichzelf. Een verlangen, zoals honger of dorst, veroorzaakt dus automatisch een „gevoel van zelf”, aldus Hegel – een gevoel van een ‘ik’ dat in gebreke is.

De biologische verlangens van dieren zijn echter altijd tijdelijk – en het ‘gevoel van zelf’ die ze veroorzaken dus ook van beperkte duur. Zodra de honger gestild is of de dorst gelest, vervalt het dier weer in zijn normale bewustzijn, aldus Hegel. Mensen daarentegen zijn hun bewustzijn permanent ontstegen. Hoe kan dat? De oorzaak moet volgens Hegel gelegen zijn in een permanent soort gebrek dat uniek is aan de mens – een menselijk verlangen dat niet te vervullen is.

En dat verlangen is: een verlangen naar een ander verlangen. Of simpeler gezegd: een verlangen om ‘verlangd te worden’. Dit verlangen is nooit te vervullen: ze richt zich immers op een ander verlangen, dat zélf ook een gebrek is – en een gebrek kan niet worden vervuld met een gebrek.

Men zou dit liefde kunnen noemen (het verlangen dat een ander naar jou verlangd), maar dat is niet waar Hegel op doelt: het betreft eerder een onderlinge machtsstrijd; een strijd om erkenning. Of, anders gezegd: de mens wil onophoudelijk in zijn bestaan als individu bevestigd worden door anderen. Zo is de mens zijn bewustzijn definitief ontstegen: het ‘ik’ is een permanent gebrek.

Dit klinkt ingewikkeld, maar onlogisch is het niet. Zou een mens in totale afzondering opgroeien, dan zou hij waarschijnlijk geen ‘ik’ ontwikkelen. Het besef dat je een individu bent, is pas mogelijk in relatie tot anderen. De Franse filosoof Jean Paul Sartre (1905-1980) illustreerde dit ooit door een situatie te schetsen waarin iemand een ander mens bekijkt door een sleutelgat. Zolang de voyeur onopgemerkt blijft, is hij slechts bewust, zegt Sartre. Maar wordt de voyeur betrapt door een ander, dan wordt hij zich onmiddellijk bewust van zichzelf: hij beseft dat hij zélf bekeken wordt. Hij beseft kortom: ik word erkend, dus ik ben.

Die stelling gaat niet alleen in filosofische zin op. Op psychologisch niveau geldt in ons dagelijkse leven hetzelfde. Ons zelfvertrouwen hangt sterk samen met de erkenning die we ontvangen van anderen. Je zou kunnen zeggen: hoe meer erkenning we krijgen, des te zelfbewuster we worden. Daarom willen mensen graag beroemd worden, een populair product uitvinden of een grote vriendenkring hebben: zulke erkenning geeft een egoboost.

De populariteit van programma’s zoals Idols, Popstars of Sterretje gezocht hoeft dus geen verbazing te wekken. Bevestiging van bekende juryleden en een groot publiek kweekt zelfbewustzijn. Dat verklaart deels waarom het vaak juist de minder getalenteerden zijn die zich het liefst voor zulke talentenjachten opgeven: hen heeft het tot dan toe waarschijnlijk het meest aan erkenning van anderen ontbroken, waardoor hun behoefte aan erkenning dit soort (publieke) vormen aanneemt.

Diezelfde behoefte vinden we terug op internet. Het web is vergeven met zingende tienermeisjes en beginnende jongensbands die hopen ontdekt te worden door een bekend platenlabel. Maar ook mensen die niet per se beroemd willen worden, melden zich massaal aan voor profielensites, waarop ze zich aan de wereld presenteren. Dat is niet zozeer een kwestie van narcisme, maar eerder een verlangen naar erkenning.

Cruciaal aan de meest populaire vriendennetwerken is immers dat je op allerlei manieren je waardering kunt tonen. Zo kan men op Hyves ‘respect’ betuigen aan iemands profiel, of aangeven dat men die persoon heeft ‘gespot’ (‘ik word gezien, dus ik ben’). Op fora en sites als Facebook is het uitdelen van kudos populair – digitale complimenten. En hoe groter het aantal volgers van jouw profiel op Twitter, des te groter is ook de bevestiging dat je ertoe doet. Dan heb je, als het ware, bestaansrecht (‘ik word gevolgd, dus ik ben’).

Overigens is erkenning niet synoniem aan waardering. Het kan ook verwijzen naar het formelere begrip ‘respect’. In deze zin betekent erkenning een vorm van morele inachtneming, of zoals Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) het formuleerde: „De erkenning van de waardigheid van ieder mens als doel op zichzelf.” In tegenstelling tot de erkenning als vorm van waardering, waarbij beter zijn dan anderen essentieel is, speelt bij erkenning als respect gelijkwaardigheid juist een belangrijke rol: het idee dat alle mensen dezelfde morele status hebben en daarom evenveel erkenning verdienen.

Door het Verlichtingsdenken werd erkenning dus niet alleen een voorwaarde voor mens-zijn, maar ook een recht dat met het mens-zijn gepaard ging. Ieder mens kreeg ‘bestaansrecht’. Niet voor niets vragen historisch achtergestelde groepen, zoals vrouwen, homo’s of zwarten, sindsdien om ‘erkenning’ van hun rechten. Zij stellen: ik moet worden erkend, wánt ik besta. Volgens Hegel is dit verlangen naar universele erkenning zelfs de drijvende kracht achter onze geschiedenis: het is waar alle oorlogen om worden gevoerd en waar alle politieke strijd om draait.

Hoezeer erkenning van anderen bepalend is voor onze identiteit, blijkt dan ook met name wanneer die erkenning uitblijft. Mensen die zich buitengesloten, genegeerd of miskend voelen, hebben meestal een zeer laag zelfbewustzijn – en trekken zich vaak terug uit het sociale leven.

Dit soort einzelgängers (denk aan Karst T.) omschrijven we vaak als ‘op zichzelf gericht’ of ‘in zichzelf gekeerd’, maar dat is een misleidende formulering. Het is eerder omgekeerd: ze zijn niet zelfbewust genoeg om relaties met anderen aan te durven gaan. De meest extreme gevallen gaan daarom niet zelden over tot (zelf)destructie. Ze plegen zelfmoord – of schieten eerst hun klasgenootjes door wie ze werden uitgesloten overhoop, als ultieme poging om erkenning te verwerven.

Dat de zucht naar erkenning inherent is aan mens-zijn, zoals Hegel stelt, is dus evident. Hegels filosofie heeft echter wel aan geloofwaardigheid moeten inboeten door het idealisme dat erachter schuilging. De Duitse filosoof dacht namelijk dat het bereiken van universele erkenning mogelijk was en dat mensen hun strijd dus op den duur zouden staken. Hij voorzag, met andere woorden, „het einde van de geschiedenis”. Die hoop is tamelijk ijdel gebleken. De strijd om erkenning duurt immer voort. Bewijzen daarvan – of het nu in Iran is of tijdens een zwarte Koninginnedag – zien we iedere dag op het journaal.

En op Hyves natuurlijk.

    • Rob Wijnberg