Ex-junk Mo helpt andere verslaafden

Mohamed Bakayan is inmiddels zes jaar clean.

Nu zoekt hij gebruikers op en probeert ze zover te krijgen een positieve draai aan hun leven te geven.

Mo zet zijn zwarte Vespa op de standaard en loopt op vier mannen af. „Hé Mo. Hoe is het?” Hij schudt ze de hand. „Moet je horen man. Gisteren kwam de politie hier en is mijn auto meegenomen. En ik moet hem echt terug.” In het gras liggen verpakkingen van jointjes en verraden lege strips het gebruik van pillen. „Hé Mo, je moet mij ook even helpen”, zegt een ander. „Ik gebruik al een paar jaar geen drugs meer, maar die alcohol. Mijn lichaam gaat kapot. Kan jij niet even wat voor me regelen?”

„Die mensen maken voor zichzelf alles stuk”, zegt de 41-jarige Mohamed Bakayan. En hij kan het weten. „Zeventien jaar van mijn leven stoomde ik tussen de 500 en 1.000 gulden aan cocaïne per dag de lucht in. Een hand in mijn jaszak omklemde altijd een cocaïnepijpje zodat ik om de tweehonderd meter een trekje kon nemen.” Inmiddels is Mo zes jaar clean en werkt hij voor Veldwerk Amsterdam. Als ervaringsdeskundige zoekt hij gebruikers op en probeert ze zover te krijgen een positieve draai aan hun leven te geven.

De Bloedstraat, de Oudezijds Voorburgswal, de Warmoesstraat – Mo kent elk hoekje waar dealers hun heroïne verhandelen. „In het begin gebruikte ik alleen hasj en marihuana, maar al snel ging ik aan de harddrugs.” De straat had hem in een wurggreep, Mo kon alleen nog maar leven in een roes van heroïne en coke.

Hij was succesvol als drugsdealer, had altijd pakken met geld op zak en spotte met de politie. „Gewoon voor de kick ging ik soms met driehonderd pillen in mijn jas een praatje maken met een agent.” In zijn ogen kon niemand hem iets maken. Tot de politie hem oppakte voor dealen en hij voor twee jaar de cel inging.

„De eerste zes maanden moest ik van afkicken niets weten. Maar dan ga je denken over je leven. Ik kwam tot de conclusie dat het zo niet langer kon.” Hij accepteerde hulp en kwam in 2003 clean uit de gevangenis. Om niet terug te vallen in het oude patroon werd hem een baan aangeboden. „Ik heb nooit een diploma gehaald, maar ik kon wel aan het werk als metselaar. Maar daar had ik absoluut geen zin in.” Stichting Streetcornerwork bood Mo een baan aan als begeleider van een groep gebruikers. „We gingen naar schoolpleinen om vuil te prikken.”

Na een half jaar vroeg de stichting of hij op straat gebruikers wilde aanspreken en helpen. „Door mijn achtergrond heb ik snel contacten met gebruikers. Dat doe ik nu zo’n twee jaar met heel veel plezier.” De gemeente Amsterdam wil de overlast van harddrugsgebruikers terugdringen, daarom werd Veldwerk Amsterdam werd vorig jaar juni opgericht. „Ik bleef eigenlijk hetzelfde werk doen, maar nu in opdracht van de gemeente.”

De Wallen zijn nog steeds zijn tweede huis. Met zijn scooter hopt hij van gebruiker naar gebruiker. „Elke week hebben we een inloopuur in een gebouw van het Leger des Heils. Een verslaafde hoeft maar te zeggen dat hij willen stoppen en ik regel direct een postadres, slaapplek, uitkering en een mentor die hem kan helpen zijn leven weer op de rails te krijgen.”

Mo zegt bijna alle verslaafden uit de binnenstad te kennen. Komt hij er een tegen, dan loopt hij naar hem toe en vraagt hoe het gaat. Gesprekjes die vaak eindigen met een belletje naar de GGD, Dienst Werk en Inkomen of een maatschappelijk werker. Met twee andere collega’s vormt hij het aanspreekpunt voor verslaafden in de binnenstad. „De harddrugsverslaafden stelen om aan hun spul te komen. Het is onze taak om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk gebruikers in een begeleidingstraject terechtkomen.”

Met instellingen als GGD, verslaafdenkliniek Jellinek en de politie, probeert Veldwerk Amsterdam een alternatief te bieden aan harddrugsgebruikers en alcoholverslaafden. En met succes. In 2008 stapten ongeveer 290 gebruikers een projecten in. Volgens Mo ongeveer de helft van het aantal gebruikers dat in de binnenstad rondliep. Al relativeert hij dat aantal door te zeggen dat ze niet allemaal afkicken.

Mo maakt een praatje met twee mannen. Als hij verder loopt verschijnt er een trotse glimlach op zijn gezicht. „Dit zijn een beetje mijn kindjes. Een van hen sliep op straat en was verslaafd aan de drank. Nu werkt hij en heeft hij een eigen huis.” De aanpak is effectief. Met zachte hand bieden ze iedereen een perspectief. „Maar als blijkt dat ze steeds terugvallen en blijven stelen, komt de politie in beeld.” Elke veelpleger wordt in de gaten gehouden door een agent. Die noteert zijn vergrijpen, maar pakt hem niet op. „Dat noemen we stapelen. Op het moment dat we weten dat de bundel zo groot is dat de veelpleger twee jaar krijgt, pakt de politie hem pas op. Ik ben de goedzak, maar als ze niet willen dan moet je ook reëel zijn.”

Een man van een jaar of veertig komt Mo tegemoet. „Hoeveel gebruik je nog?” vraagt Mo. „Moet je raden. Eenderde minder dan vroeger. En ik gebruik soms nog maar twee keer per dag. Het gaat echt goed man.” Hij is op weg naar zijn werk. „Deze man is al twintig jaar aan de heroïne”, zegt Mo als hij weg fietst. „Het zal hem waarschijnlijk nooit lukken om er vanaf te komen.”

Voor deze verslaafden is een speciaal traject samengesteld. „We kunnen ze in principe het hele pakket met dagbesteding, een mentor, een slaapplek en werk bieden, maar om ervoor te zorgen dat ze niet meer jatten om heroïne te kopen krijgen ze de drugs van de GGD. Onder toezicht mogen ze drie keer per dag in een speciale gebruikersruimte heroïne roken. Ja, dat kost de staat veel geld. Maar wat dacht je van een dagje in de bak? Dat kost ook zo'n 450 euro.”

In inloopcentrum de Princenhof zitten vier mannen met een rietje in hun neus heroïnedampen te snuiven. Een medewerker vertelt over Mo, ze heeft veel respect voor hem. „Ik loop weleens met een jongen naar de computer en laat dan een uitzending van Netwerk over het leven van Mo zien. Vooral voor de jonge jongens is hij is een voorbeeld. Want als Mo het kan, dan kan ik het ook.”

    • Rick Timmermans