Spiegels

In de paskamer, weet Rascha Peper, ben je bezig met zelfreflectie als je voor de spiegel staat. En je wordt daarbij liever niet gestoord.

Je probeert jezelf met een objectief oog te bezien." (Illustratie Annemarie van Haeringen) Haeringen, Annemarie van

Onlangs wilde ik in een kledingwinkeltje in Amsterdam een T-shirt passen.

„Natuurlijk”, zei de verkoopster. „Alleen: ik heb maar één paskamer en daar staat nu iemand. Maar u kunt er nog wel bij, hoor!”

„O, ik wacht wel even”, zei ik.

„Nee, het is een grote paskamer; het gaat makkelijk.”

En ze opende kordaat het gordijn en vroeg aan degene die daarachter stond: „U vindt het toch niet erg dat deze mevrouw hier ook even komt passen?”

„Nee, hoor”, moest de gebruikster wel zeggen.

Zo stapte ik gegeneerd de paskamer binnen, die inderdaad groot was en waarin een oudere dame in ondergoed net haastig een jurk over haar hoofd gooide.

„Ik ben bijna klaar”, zei ze onthutst tegen me.

„Doet u maar rustig aan, ik wil u niet storen.”

We glimlachten beleefd, zonder elkaar aan te kijken en zonder te laten merken hoe we met elkaar in onze maag zaten. Uit solidariteit trok ik zo snel mogelijk mijn truitje uit en het T-shirt aan, maar er was geen sprake van dat wij zusterlijk naast elkaar in de spiegel gingen staan kijken. De vrouw had de jurk vliegensvlug alweer uit – ze kon onmogelijk gezien hebben hoe die stond – , schoot weer in haar eigen kleren en verliet de paskamer. Ze kocht de jurk niet. En ook al was ik nu alleen, ik haastte me toch, om niet door een volgende klant overvallen te worden.

Was dit preutsheid? Misschien, maar op de yogaclub staat ook iedereen zich in elkaars aanwezigheid te verkleden, mannen en vrouwen door elkaar heen, en daar heeft niemand last van. Het is ook niet zozeer dat je door een ander niet in je bh gezien wilt worden, je wilt vooral door een vreemde niet betrapt worden op dat kritische kijken naar jezelf in de spiegel, met die typische paskamerblik in je ogen, of die nu afkeurend of tevreden is. Het is die manier van kijken die privé is, die kwetsbaar maakt. Dat moment van zelfreflectie moet een ander niet met zijn aanwezigheid verstoren. De door de verkoopster opgedrongen situatie deed denken aan die winkels waar geen spiegels meer in de pashokjes zijn. Om te zien hoe iets staat, moet je je hokje verlaten en in een grote spiegel gaan kijken, waar strijk en zet een piepjong winkelmeisje rondhangt dat binnen een seconde roept: „Staat je leuk, he?”

Paskamers zijn uiterst intrigerende vertrekjes. Er hangt iets zwoel erotisch omheen, iets verbodens en geheimzinnigs, en je bespeurt er ook de minidrama’s van vertwijfeling, gefnuikte ijdelheid en verstoorde illusies die zich er afspelen. Dat de paskamer niet vaker fungeert in korte verhalen of in scènes in een roman of film, snap je niet. Er zijn maar weinig omstandigheden waarin rijke Westerlingen symbolischer en pregnanter te midden van de massa op zichzelf teruggeworpen worden dan in de eenzaamheid van een pashokje. Alleen, bloot, omringd door spiegels, de geluiden van de buitenwereld gedempt op de achtergrond en geconfronteerd met de op- en aanmerkingen van passers in andere hokjes: vriendinnen of moeders en dochters (ik kom zelden op herenafdelingen), kortom mensen die wél ‘gezellig samen’ zijn.

Of het licht nu onbarmhartig fel of geraffineerd versluierend is, de paskamer is een kleine oase van intimiteit in een vreemde omgeving, een hokje waar je even tot jezelf kunt komen. Je ritst en knoopt er nieuwe kleren over je te witte, te dikke of te magere lijf en probeert jezelf met een objectief oog te bezien. Verhullen deze kleren mijn tekortkomingen goed genoeg? Ben ik hierin degene die ik zou willen zijn? De paskamer kan je zowel tot het meest genadeloze zelfinzicht drijven als tot een ware euforie van hoop; als ik dit draag, ben ik eindelijk de vamp, het frisse natuurmeisje of de perfecte zakenvrouw die ik diep van binnen ben. De spiegels zijn zelfportretten voor wie niet schildert of fotografeert. Als ik psychotherapeut was, zou een standaardvraag aan mijn cliënten zijn: beschrijft u zichzelf eens terwijl u, liefst op een bad-hair-day, in een kledingzaak een broek, een bikini, een avondjurk past.

Op dezelfde middag van die opgedrongen gezamenlijke passessie, kwam ik nog in de Bijenkorf terecht en daar gebeurde het dat een vrouw die in haar eentje in het pashokje naast mij stond zich opeens liet ontvallen: „Buh! Vreselijk!”

Ik schoot in de lach en kon het niet laten te antwoorden: „Is het zo erg?”

„Je houdt het niet voor mogelijk!” riep ze terug. „Ik lijk een soort achterlijke boerin!”

„Niet nemen dus.”

En we giechelden nog wat na.

Kijk, dat was onverwacht toch nog gezusterlijk passen.