Snedige danspasjes

Toen vorig jaar oktober het etappeschema van de Tour de France werd gepresenteerd, was mijn eerste reactie teleurstelling. Nou, nou, slappe hap. Ik keek vooral naar de bergetappes. De Pyreneeën kwamen er karig vanaf. Bij voorbaat een onvoltooid voorspel. Eén aankomst bergop in Arcalis zonder noemenswaardige kuitendoders in de aanloop. De toornige Tourmalet op zeventig kilometer van de meet werd op een lichtscherm gedegradeerd tot een acnépuistje.

In de Alpen geen veldtochten, maar veldtochtjes. Niet alleen qua afstand. Waar waren de namen van grootheden als Col de la Madeleine, Col du Glandon, Col d’Izoard? Allemaal opgeofferd aan het toverwoord ‘spanning’. De Tour van 2009 moest spannend en onbeslist blijven tot het allerlaatste moment. Daarom was met vooruitziende blik besloten dat de Tour de voorlaatste dag pas beslist gaat worden op de Mont Ventoux, in een sprint bergop naar de maan.

Is het werkelijk zo eenvoudig de spanning in de steigers te zetten?

Ik kan het niet helpen, de strategie van de Tourorganisatie blijft een onnavolgbaar staaltje wishful thinking. Wielrennen is het najagen van zekerheden. Of het nu kruimels zijn dan wel de hoofdprijs. Na de ploegentijdrit op dag vier zijn er nog twee serieuze kandidaten voor de eindoverwinning over: Armstrong en Contador.

Nog een geluk voor de spanning dat die twee, hoewel rijdend voor dezelfde ploeg, niet door één deur kunnen. Armstrong intimideert het Spanjaardje onophoudelijk en onderhuids via de pers; het Spanjaardje trakteerde Armstrong op de Arcalis op een paar snedige danspasjes die hem twee seconden voordeel bezorgden.

Astana is een ploeg die eigenlijk niet meer bestaat. Johan Bruyneel is virtueel manager van de nog op te richten ploeg Nike, met Armstrong als kopman; Contador rijdt volgend jaar – en stiekem dus ook deze Tour – voor Caisse d’Epargne. Zakelijke complicaties allemaal die me sterk doen denken aan het weinig heroïsche gekonkelfoes in de economie van het gewone leven, het echte leven.

Voor spannende heldendaden tijdens de eerste Tourweek moeten we afdalen naar het tweede en derde plan. Het jonkie Brice Feillu die een dag in de aanval winnend afsloot op de Arcalis. Gelukkig wist hij op dat moment nog niet dat hij anderhalve week of nog langer nodig zou hebben om van de escapade te herstellen – schoon is de jeugd. Of neem Pierrick Fédrigo en Franco Pellizotti die standhielden op de Aspin en Tourmalet, en het vege lijf trachtten te redden in het lange stuk naar Tarbes, terwijl ze allebei wisten dat er eentje vergeefs zou hebben gestreden en dus vergeefs verrot zou zijn voor de rest van de Tour.

Om nog maar te zwijgen van Kenny van Hummel. Drie dagen lang de bumper van de bezemwagen tegen het achterwiel, en nog niet dood.

    • Peter Winnen