Shoppen loont voor ontslagvergoeding

Nu gerechtshoven niet langer dezelfde formule hanteren bij de vergoeding voor ontslag, is het van belang de procedure op de juiste plaats te starten, betoogt Marijtje Kuijken.

In de wirwar van het ontslagrecht hebben drie gerechtshoven begin deze maand een nieuwe berekeningsmethode voor de ontslagvergoeding geïntroduceerd: de ‘XYZ-formule’ (zie verderop voor uitleg). Opmerkelijk is dat de gerechtshoven Arnhem, Amsterdam en Den Bosch afstand nemen van het Haagse hof dat eerder een andere formule opstelde. Het kan daardoor lonen om te kijken bij welke rechtbank een ontslaggeding aanhangig wordt gemaakt. Daarnaast blijkt dat rechters regels opstellen op een terrein waar de overheid zich tot op heden niet aan durft te wagen. Het kabinet blijft de hervorming van het ontslagstelsel voor zich uitschuiven.

Met toestemming van het UWV kan een werkgever een arbeidsovereenkomst opzeggen. Zo’n opzeggingsprocedure moet worden onderscheiden van een ontbindingsprocedure. Voor de ontbindingsprocedure ontwikkelden kantonrechters de ABC-formule: A x B x C = gewogen dienstjaren x bruto maandloon x correctiefactor (maximaal 1). Deze formule is begin dit jaar gewijzigd. Voor de opzeggingsprocedure geldt deze formule niet. In dat geval wordt een vergoeding naar ‘billijkheid’ toegekend. Deze billijkheidsvergoeding is over het algemeen lager dan de vergoeding op basis van de kantonrechtersformule.

Als een werknemer, van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd, van mening is dat bij ontslag de werkgever een hogere vergoeding had moeten toekennen, dan kan hij een zogenaamde ‘kennelijk onredelijk ontslagprocedure’ starten. Hoewel de ABC-formule dus niet geldt voor dit soort procedures, passen kantonrechters deze formule steeds vaker ook in opzeggingsprocedures toe. Tot voor kort wezen de gerechtshoven in hoger beroep de toepassing van de ABC-formule in een opzeggingsprocedure echter af.

Maar in oktober 2008 ging het Haagse hof om. Het hof gaf aan een vergoeding van 70 procent van de kantonrechtersformule als uitgangspunt te hanteren, indien de opzegging van de arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd.

In de recente uitspraken waarin werknemers stelden dat de opzegging kennelijk onredelijk was, is door de drie gerechtshoven een nieuwe formule geïntroduceerd: XYZ. Hierin staat X voor het aantal gewogen dienstjaren, Y voor het bruto maandsalaris en Z betreft een correctiefactor, waarmee de omstandigheden van het ontslag worden gewogen. In beginsel is Z gesteld op maximaal 0,5.

Deze uitspraken zijn opmerkelijk. Anders dan het Haagse hof, kiezen de drie gerechtshoven niet voor (een variant op) de kantonrechtersformule, maar komen zij met een nieuwe formule. Hoewel ook de XYZ-formule lijkt op de ABC-formule, is de uitkomst grofweg de helft minder.

Inmiddels zijn er dus drie verschillende formules. De ABC-formule bij ontbindingsprocedures, de XYZ-formule bij opzeggingsprocedures en de Haagse variant. Iedere formule kent een andere uitkomst. Zo kan het dus lonen om te kijken bij welke rechtbank een procedure wordt gestart. Afhankelijk van omstandigheden en het soort procedure, kunnen verschillende rechtbanken bevoegd zijn: de plaats van het werk, de vestigingsplaats van de werkgever of de woonplaats van de werknemer. Welk gerechtshof in hoger beroep bevoegd is, is afhankelijk van de plaats van de rechtbank.

Het is opvallend dat weer een nieuwe formule is geïntroduceerd, in het toch al niet doorzichtige ontslagrecht. Als de overheid nu niet ingrijpt, zien werkgevers en werknemers door de bomen het bos niet meer. Nu inmiddels de gerechtshoven zich op twee verschillende manieren over de problematiek hebben uitgesproken, valt het te verwachten dat de Hoge Raad – eerder dan de overheid – voor uniformiteit zal zorgdragen. Dat is een gemiste kans voor de Nederlandse wetgever.

Marijtje Kuijken is advocaat bij DLA Piper te Amsterdam.