Porselein

Limoges is een weinig opzienbarende middelgrote provinciestad (134.000 inwoners) in Midden-Frankrijk. De stad is bekend om zijn station, een fraai art-decokunstwerk van Roger Gonthier uit 1929, en vooral om zijn porselein. Omdat er verder niet veel te zien is, besloot ik me samen met mijn familie een halve dag op het porselein te storten. Het resultaat was opmerkelijk.

Om in de stemming te komen, gingen we eerst naar het Musée National de la Porcelaine, waar de suppoosten dolblij waren dat ze op deze morgen eindelijk wat te doen kregen. Ze snelden uit alle hoeken toe, boden een langdurige filmvertoning aan en omhingen ons met audio-apparaatjes. Er was geen ontkomen aan. Het museum bleek 15.000 stuks porselein uit de hele wereld te bevatten en de bedoeling was dat we ze één voor één zouden zien. Er zaten prachtige exemplaren bij, zelfs een bord met een afbeelding van de ‘Tombe d’Antonie Leeuwenhoek dans la Oude Kerke à Delft’, maar het was desondanks een museum waarin ik veel eerder museummoe werd dan in andere musea.

Net toen we met een gevoel van bevrijding het museum wilden verlaten, vroeg een suppoost: „Heeft u ook het porselein uit Limoges zelf gezien?” Hij keek ons zo hoopvol aan dat we niet durfden weigeren. We bleken een kleine duizend stukken over het hoofd te hebben gezien. Onvergeeflijk. Voor het eerst van mijn leven bleef ik dankzij een suppoost langer in een museum. We bedankten hem uitvoerig en slopen schuldbewust het gebouw uit.

Al die tijd had ik nota bene nog een ander porseleindoel in Limoges voor ogen: het Louyat kerkhof oftewel het ‘cimetière de porcelaine’. Het ligt in een buitenwijk, aan de Rue Halévy. Het is met 200.000 graven op 35 hectare een van de grootste kerkhoven van Europa, en een groot deel van de graven is met porseleinen plaatjes versierd. Die stellen de overledene en zijn gezin voor, of een landschap vol droevige bomen, bloemen en engelen.

Speelfilmregisseur Patrice Chéreau was zo onder de indruk van deze plek dat hij hem als decor gebruikte in zijn door mij nooit geziene film Ceux qui m’aiment prendront le train. Omdat goede filmregisseurs visueel begaafd zijn, moest het wel een bijzondere begraafplaats zijn, vermoedde ik. Zelfs mijn familie, inmiddels de porseleinen uitputting nabij, liet zich door dit argument overhalen.

We kregen er geen spijt van, al moesten we in de inmiddels zinderende hitte langs de graven klauteren. De fascinatie van Chéreau werd snel begrijpelijk. De porseleinen plaatjes en bloemstukken op de graven, alleen te zien in het oude, rechterdeel van dit kerkhof, zijn nog altijd puntgaaf. De afgebeelde taferelen zijn aangrijpend in hun zoetige melancholie. Henri Paradis was in 1869 een kindje van een jaar toen hij overleed. Op het plaatje vliegt hij in de armen van een engel naar de hemel. Verderop rustte Marie Constant née Fayard, overleden op 23 augustus 1886. Haar graf was vervallen en de zerk gebroken, alleen het porseleinen plaatje met een arcadisch groen landschap erop leefde nog voort. Maar de directie van het kerkhof wilde er nu wel vanaf. Men had op het graf een briefje bevestigd met het verzoek aan de familie van Marie om zich te melden. Anders wordt het ruimen. Jammer. Wat zou mijn familie met mij doen?