Manuscripten geven hun rijkdommen prijs

Getijden- en gebedenboek, Meester van Catharina van Kleef, ca. 1440 ROTHENGATTER, PETER

Tentoonstelling Beeldschone boeken; de Middeleeuwen in goud en inkt. Museum Catharijneconvent, Utrecht. T/m 23/8. Inl. www.catharijneconvent.nl, 030-2313835****

Het handschrift komt uit Utrecht, het jaar is 1400, het commentaar op de Psalmen is van Petrus van Herenthals. In de marges van zijn tekst staan schetsjes, zoals een profiel van een karikaturaal, maar elegant mannetje dat met zijn linkerwijsvinger een kennelijk belangrijke passage in de tekst aanwijst. In dunne pennenstreken getrokken contrasteert het ventje niet alleen met de gewichtige inhoud van de tekst, maar valt het ook visueel in het niet bij de donkere inkt van de streng in het gelid staande letters.

Het motief is illustratief voor de verschillende niveaus waarop middeleeuwse manuscripten hun rijkdom prijsgeven: tekst en lay-out, in het oog springende illuminaties en ogenschijnlijk ondergeschikte randversieringen, maar ook het vakmanschap van kopiist en binder, en zelfs fouten, correcties en beschadigingen. Die veelheid aan dimensies vormt het thema van de mooie expositie Beeldschone boeken in het Catharijneconvent. Daar is een honderdtal boeken bijeengebracht uit de eigen collectie en die van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek, aangevuld met bruiklenen van verzamelingen. Samen geven ze een beeld van de Utrechtse boekproductie in de late Middeleeuwen.

De vroegste boeken die getuigen van het belang van Utrecht als zetel van de eerste bisschoppen van de Noordelijke Nederlanden, kwamen van elders. Handschriften werden in de zevende en achtste eeuw geïmporteerd door Engelse missionarissen. Ook van elders kwamen boeken naar Utrecht, zoals een evangelieboek dat zijn naam ontleent aan de missionaris Lebuïnus, maar dat in werkelijkheid pas een halve eeuw na diens dood in 773 is ontstaan in Noord-Frankrijk. De ‘Lebuïnuscodex’ is een voorbeeld van de diepe eerbied die er eeuwenlang voor bestond: het negende-eeuwse manuscript is gevat in een zilveren band met edelstenen en ivoren reliëfs, die pas in de twaalfde eeuw is vervaardigd in Keulen.

Pas omstreeks 950 worden de eerste boeken gemaakt in Utrecht, dat tegen die tijd niet alleen een het politieke en religieuze, maar ook het culturele centrum van de Noordelijke Nederlanden vormde. De schrijfcentra in verschillende kloosters van de stad produceerden afschriften van religieuze traktaten, geleerde commentaren en gezangenboeken. Vaak zijn de teksten voorzien van ingenieuze patronen en kleine voorstellingen in de hoofdletters aan het begin van een vers of hoofdstuk. Een antifonarium uit 1325-50 bevat in een initiaal een draakje: een motief waarvan niemand weet wat het inhoudt, maar dat een kenmerk zou worden van Utrechtse handschriften.

Nog rijker versierd zijn getijdenboeken en historiebijbels, psalmen- en gebedenbundels die in gespecialiseerde scriptoria werden vervaardigd voor een publiek van welgestelde particulieren. De tentoonstelling laat mooie voorbeelden zien van vooral vijftiende-eeuwse, bladvullende miniaturen, maar ook prachtige bladspiegels in kolommen die de ijzeren regelmaat van de hand van de kopiist tonen. Zulke boeken dwingen des te meer bewondering af als blijkt hoeveel werk er in ging zitten. Zo heeft Jacobus van Enkhuysen vanaf 1464 niet minder dan twaalf jaar gewerkt aan het afschrijven van een bijbel in opdracht van Herman Droem, diaken van het Utrechtse Mariakapittel. Droem telde er de lieve som van vijfhonderd goudgulden voor neer. Tragisch genoeg heeft hij maar kort van zijn nieuwe bijbel kunnen genieten, omdat hij drie maanden na voltooiing ervan overleed. Ook de latere geschiedenis van het kapitale boek stemt treurig. Na de reformatie werd het tentoongesteld in de Mariakerk, waar het werd beklad door bezoekers die ook bijna de helft van de verluchte initialen mee naar huis namen. Enkele doken weer op en worden nu tentoongesteld.

Ook elders blijken de ‘beeldschone boeken’ niet perfect. Sommige bladen vertonen lege plekken voor nooit geschilderde initialen en illuminaties, in andere zitten fouten of omissies die er door correctoren weer uit zijn gehaald. Weer andere boeken liggen uit elkaar of vertonen gaten in de bladzijden: beschadigingen in de dierenhuiden waarvan perkament werd gemaakt. Juist zulke onvolkomenheden verraden veel van het productieproces in middeleeuwse scriptoria, dat deze expositie voorbeeldig in beeld brengt.