'Kom maar op met die pilletjes'

Schrijver Bert Wagendorp over de zichtbare en de onzichtbare wereld, doping en roem. En de fietsen die hij aanschafte na een keerpunt in zijn leven.

Wagendorp: "Dat spreekt mij aan: over morele grenzen heen gaan." (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) alkmaar bert wagendorp foto rien zilvold Zilvold, Rien

Bert Wagendorp droomt wel eens dat hij meedoet aan de Tour. Wordt hij altijd vijfde. Wie wil er nou vijfde worden? Dan ben je meteen vergeten, dat is alleen acceptabel voor coureurs met gebrek aan ambitie. Zo zit hij niet in elkaar. „Dan komt het zelfverwijt, in die droom. Wat een klojo ben ik, dat ik schoon rijd. Je denkt toch niet dat de renners die voor mij zijn geëindigd het op eigen vermogen hebben gedaan? Dus: kom maar op met die pilletjes. Alles om op het erepodium te komen.”

We zitten in de tuin achter zijn huis in Alkmaar. Wagendorp (52), columnist van de Volkskrant, schrijver van de roman De Proloog (1995) en de verhalenbundel De Dubbele Schaar (2005), was jarenlang sportverslaggever. In een stuk in de Volkskrant nam hij onlangs afscheid van de „megalomane, opgefokte kitschwereld” van de topsport, „vol slijmballen en overbetaalde idioten”. Uitzondering: wielrennen. Maar ook dit „laatste sportbastion” waar hij zich aan vastklampt dreigt zijn charme te verliezen. „Als wielrennen ooit een schone sport wordt is voor mij de lol eraf”, zegt hij fel. „Schone sport heeft iets tegennatuurlijks. Wielrennen moet dat duistere houden. Er zit kwaad in, slechtigheid, de zelfkant van het leven. Ik houd van het louche karakter, de vuile trucs. Elkaar flikken. Wielrenners die een halve eeuw na dato nog kwaad zijn omdat een ander zijn afspraak niet is nagekomen. Vind ik prachtig.

„Het aspect van je ziel verkopen aan de duivel is niet voor niets een oeroud verhaal. Je bezwijkt voor de verleiding, maar krijgt er wel wat voor terug: roem. Dat geldt voor mij ook als schrijver. Als ik door een pilletje te slikken een onvergetelijke roman zou schrijven, zou ik het niet laten. Dat aspect spreekt mij aan: over morele grenzen heen gaan. Valsheid zit niet alleen in het wielrennen. Het zit bijvoorbeeld ook in de Amsterdamse schrijverswereld. De beste schrijvers schrijven niet altijd de bestsellers. Mensen die elkaar de bal toespelen heb je overal. Wie eerlijk is veroordeelt zichzelf, sluit een bron van inkomsten af, wordt uitgekotst. Niemand zou het mij kwalijk nemen dat die onvergetelijke roman op pilletjes is geschreven.”

Wagendorp werd geboren in Groenlo, groeide op in Lemmer, studeerde Nederlands in Groningen. Als student schafte hij in 1980 zijn eerste racefiets aan, een Batavus. Later volgde een Gazelle, maar in zijn jeugd was fietsen ondergeschikt aan voetballen. Aanvankelijk was hij vooral in passieve zin geïnteresseerd in wielrennen. Als sportjournalist volgde hij van 1989 tot en met 1994 de Tour de France voor de Volkskrant. Hij raakte gefascineerd door de twee tonelen van de sport: de zichtbare en de onzichtbare wereld. Die laatste kon hij niet in zijn stukken kwijt, dus schreef hij er een boek over. Na publicatie werd hij gebeld door profrenners die De Proloog hadden gelezen: ‘Hoe kon je dat ooit schrijven? Het klopt allemaal, wat erin staat.’ Nee, ze wilden niet dat hun commentaar bij de volgende druk achterop het boek zou belanden. De wielermaffia zou dat niet pikken.” De zichtbare wereld boeide hem overigens niet minder. „Er waren coureurs bij die soms 280 kilometer per dag trainden. ‘Bezopen’, dacht ik toen. Nu weet ik dat ze groot gelijk hadden. Wielrennen is net als schrijven: regelmaat, beheersing, discipline.”

Wat hij maar wil zeggen: hij schreef met inlevingsvermogen over wielrennen voor hij ervaringsdeskundige werd. Voorjaar 2005 stapte hij zelf op de fiets. Daarvoor leidde hij het leven van de archetypische journalist van zijn generatie: hij schreef, rookte en dronk. Van een arts kreeg hij toen te horen dat hij een veel te hoge bloeddruk had. Hij was ook te zwaar, woog 85 kilo. Ineens besefte hij: oppassen, je werkt te hard, sloopt je lichaam. Een keerpunt. Hij stopte met roken, matigde zijn drankgebruik en volgde een cursus meditatie. De oude Batavus werd vervangen door een hybride (combinatie mountainbike-racefiets) Gazelle. Later kocht hij een racefiets, een Pinarello.

Hij begon met ritjes met een straatgenoot. De rondjes werden tochten, in groepen van verschillende grootte en met wisselende samenstelling. Hij merkte dat hij er niet alleen lichamelijk op vooruit ging, maar vooral ook geestelijk. „Fietsen heeft mij op een ander spoor gezet, vooral in mijn hoofd balans gebracht. Het vereist een grote mate van discipline in je denken. Als je met een groep fietst, 140 kilometer bijvoorbeeld, gaat het al snel hard. Je moet jezelf ervan blijven overtuigen dat je het kunt bijbenen. Je mag niet toegeven: ‘Dat houd ik niet vol.’ Je zit heel bewust dat soort gedachten weg te drukken. Wielrennen is altijd de overwinning van de geest op het lichaam.” Daarom heeft hij de kilometerteller van zijn stuur gehaald. „Ik zat er voortdurend op te kijken. Reed ik bijvoorbeeld met een snelheid van 35 kilometer, dan dacht ik: ‘Dit houd ik niet 20 kilometer vol.’ Die teller bepaalde mijn gedachten. Dat demotiveerde.”

Een enkele keer trekt hij er alleen op uit. In de zomermaanden gaat hij ’s avonds wel eens de duinen in, als het maalt in zijn hoofd. Niet lang, een kilometer of veertig. „Dan is fietsen een vorm van therapie. Die fietstocht zet niet alleen mijn lichaam aan, maar vooral ook mijn geest. Kom ik terug met een idee voor mijn column, van halve zinnen tot hele alinea’s die ik in mijn geheugen heb opgeslagen.”

Het liefst fietst hij met anderen, vanwege het sociale en het competitieve element. „In een groep wissel je in het begin wat woorden. Zodra het tempo omhoog gaat keert iedereen in zichzelf. Dan wordt er niet meer gesproken. Al snel komt de ware aard naar boven. Er zijn fietsers die zich opofferen of die ‘meemuizen’, je hebt harde werkers, eenlingen en linkeballen (wielrenners die profiteren van de inspanningen van anderen door zelf weinig op kop te rijden).”

Wagendorp is een langzame starter. De eerste 50 kilometer gaan moeizaam. „Als ik mij er niet tegen wapen breekt er lichte paniek uit, denk ik: ‘Verdomme, ik ben niet in vorm.’ ‘Piano’, roep ik dan naar de anderen, rustig aan. De laatste veertig, vijftig kilometer is het vaak andersom. Dan rijd ik goed. Als je ziet dat mensen achter je het moeilijk hebben, gaat het alleen maar beter. Je raakt dan in een flow, dan kan het heel lang vanzelf gaan. Je hebt dan momenten dat je denkt: ‘Ik had prof kunnen worden’.”

Wielrennen, zegt hij, is een goede sport voor peinzers, een meditatieve sport. „Soms is het bijna ontroerend om met een groep op de fiets te zitten. Windje in de rug, nee het moet niet te hard waaien, dan maakt het lawaai, dat is onverdraaglijk. Je fiets mag ook geen irritante geluiden maken, dat wordt niet gepikt. Met een man of tien, bandjes op kleine afstand van elkaar. Op van dat zwarte asfalt dat er net ligt. Wat je dan hoort is muziek. Een groot dier dat over de weg suist. Dat zijn topmomenten. Dan moet er niet gesproken worden. Dan voel ik bijna hoe mijn hoofd leegstroomt. Het is alsof je wordt overgenomen. Dan maakt het niet uit waar je bent of waar je heengaat.”

Maar dat zijn zeldzame momenten. Wat hij wel altijd ziet, tijdens toertochten, is hoe volwassen mannen weer jongens worden. „Een kilometer of veertig voor de finish heb je dat. Dan wordt er gesleurd, gedemarreerd. Dan hoor je gevloek, verwensingen over wieltjesplakkers en het commando dat iemand anders een ontsnapte renner ‘nou maar eens terug moet halen’. Na afloop van een van die tochten wordt er bij mij in de tuin bruin bier gedronken. Dat is een traditie. Dan vertelt iedereen wat er onderweg is gebeurd. Iedereen heeft zijn eigen verhaal, zijn eigen versie, over wat er goed en fout ging. Daar zou je een boek over kunnen schrijven.”

Dit is het derde van vier interviews met schrijvers over fietsen. Lees eerdere delen op nrc.nl/tour.