Jagen op raggende horzels in Friese wateren

In de zomermaanden surveilleert de waterpolitie intensief op de Friese meren. De aandacht gaat vooral uit naar te snel varen en „jongetjes die de buurt terroriseren”.

Hoofdagent Johan Bakker bekeurt een 14-jarige jongen die zonder vaarbewijs te snel met een te zware motorboot voer. (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) sneek waterpolitie foto rien zilvold Zilvold, Rien

In de kantine van het bureau van de waterpolitie in Sneek houdt brigadier Remko Smit, grijs haar, snor, de portofoon demonstratief omhoog. De melding: „Zwaar onweer verplaatst zich naar het noorden.”

„We moeten nu gaan”, zegt Smit. Hij stapt met hoofdagent Johan Bakker van Regiopolitie Fryslân op deze warme zomermiddag op de surveillanceboot P114 van de Dienst Waterpolitie, groep Sneek. Smit gespt het rode dodemanskoord vast. Dat is verplicht bij elke snelle boot. „Als ik overboord sla, slaat de motor automatisch af.”

Kalmpjes koerst hij de brede Houkesloot op. Het is druk op het water met jachtjes, motorkruisers en kleine open valkjes met meest blote lijven aan boord. De politie let vooral op te snel varen en „jongetjes die de buurt terroriseren”, zoals Smit het verwoordt. Met hun motorbootjes scheuren ze door de waterrijke woonwijken, tot ergernis van de bewoners.

„Soms is het vechten tegen de bierkaai”, zegt Smit, met dertig dienstjaren een oude rot in het vak. „Met die mobieltjes waarschuwen ze hun vriendjes als ze ons zien komen aanvaren.”

Voor de boot zijn twee kopjes zichtbaar. Zwemmen is hier echter verboden, zoals een bord aangeeft. „Blijven we uit de vaargeul, heren?”, roept Smit de overtreders toe. „Je weet donders goed dat je hier niet mag zwemmen en ik heb geen zin om jou er straks uit te vissen.” De jongens knikken schuldbewust.

De surveillanceboot vaart onder de Dompbrêge door, een nieuwe woonwijk aan het water in. Vier kinderen in een Zodiac varen de politie tegemoet. „Hoe oud ben jij?”, vraagt Smit het jongetje dat de rubberboot bestuurt. Twaalf, antwoordt die. „Doe je een beetje rustig aan?”, maant Smit. De minimumleeftijd voor het besturen van een motorbootje dat niet sneller kan dan dertien kilometer per uur is twaalf jaar. Smit: „Hij ziet aan mij dat ik hem niet geloof. Ach, op die leeftijd zou ik hetzelfde doen.”

Een groepje bewoners wenkt. Ze klagen over lawaaioverlast van snelle motorboten die al de hele middag over het water scheuren. In de verte is er een te zien. Zodra de jeugdige bestuurder de politieboot ziet, stuift hij weg. Smit maakt een afweging: „Ik kan er nu vol gas achter aan gaan, maar dat veroorzaakt hoge golven en met al die kinderen hier in het water is dat niet verantwoord.”

Bakker staat op de voorsteven en heeft gezien waar de motorboot heen ging. De overtreder, lange zwembroek, blond haar, heeft de boot aangemeerd bij een woning. „Goeiedag, kom je er even bij? Je bent nog geen achttien?”, vraagt Smit. Nee, geeft de jongen toe, hij is veertien. Dat is te jong. Bovendien voer hij te hard en heeft hij geen vaarbewijs voor deze 80 pk-motorboot. Drie overtredingen, dat is 180 euro boete. Plus zes euro administratiekosten. „Normaal is die 360 euro, maar omdat je minderjarig bent, is het de helft”, licht Smit toe. De jongen: „Dat wordt dus geen kleding deze maand.”

De boot is van zijn vader. Omdat hij geen identiteitsbewijs bij zich heeft en Smit de vader van de jongen wil spreken, vaart hij naar diens woning. Daar wordt de jongen afgezet. Vader is afwezig; het identiteitsbewijs ligt bij de moeder. Dat moet hij morgen op het politiebureau laten zien. De jongen zegt desgevraagd dat hij toch weer gaat varen. „Dat pakken ze me niet af.”

Smit later: „Dit is nu een van die horzels die raggen op het water.”

Hij heeft vaker met dit bijltje gehakt. „Van sommige ouders van deze knapen krijg je een grote mond. Dat zijn vooral de yuppen, die zeggen zelf wel uit te maken wat ze doen. Anderen beweren dat ze niet wisten dat hun kind met die boot weg was. Ik leg ze uit dat ze een enorm financieel risico lopen, want als een onbevoegd iemand een ongeluk veroorzaakt, betaalt de verzekeraar niet uit.”

Het is half vier, de lucht betrekt. „Bij donderbuien komen veel mensen in de problemen. In een windvlaag kunnen zeilbootjes zomaar omslaan.”

De bootjes stromen de Houkesloot binnen. Een te snel varend open motorsloepje met vader en zoontje wordt aangehouden. „Waarom vaart u zo hard?,” vraagt Smit de man. „U vaart ze allemaal voorbij.”

„Vaar ik zo hard?”, vraagt de man. „Dat valt toch wel mee? Ik ben bang voor onweer.” Hij moet zijn vaarbewijs laten zien en komt er met een waarschuwing vanaf.

Een motorkruiser vaart ook al sneller dan toegestaan. Smit maant de schipper met zijn handen snelheid te minderen en wijst op de golven die deze veroorzaakt. De man wijst naar de donkere lucht, Smit op zijn horloge. „Op tijd vertrekken!”

Om vier uur is de lucht inktzwart. De wind wordt krachtiger en de eerste regendruppels vallen. Aan de kant van de Houkesloot, bij de stenen beschoeiing, proberen een man en een vrouw uit alle macht de zeilen te strijken. „Hij kan beter zorgen dat hij wegkomt”, vindt Smit. Weer gebaart hij: „U moet weggaan bij die keien.” Bliksemflitsen schieten door de lucht. De P114 is net voor de stortbui terug.