Grens in terreurbeleid

De druk is van de ketel. Het is nu tijd voor een grondige schoonmaak. Wie de analyse van de commissie-Suyver van de anti-terreurmaatregelen van afgelopen jaren leest, begrijpt dat er snel en ingrijpend onderhoud nodig is. Want de haast van dat beleid heeft sporen nagelaten. Dat het kabinet het rapport „inspirerend” noemt en binnen een jaar concrete uitwerking wil, is bemoedigend. Hopelijk is er de behoefte om eerlijk terug te kijken op wat is aangericht.

Volgens de commissie kunnen fundamentele vrijheden van de burger in het gedrang zijn gekomen. Dat is heel wat. Ook is nu bijvoorbeeld duidelijk dat het zogeheten ‘persoonsgericht verstoren’ door politie of AIVD niet op enige wet is gebaseerd, maar desondanks toch wordt toegepast. „Kritisch bezien”, adviseert de commissie. Waarmee hopelijk wordt bedoeld: wettelijk regelen of ermee ophouden.

De weg terug wordt dus voorzichtig ingezet. En dat is wel begrijpelijk gezien de grote woorden die er de laatste jaren zijn gebruikt. Veel van de nieuwe wetten zijn maar heel spaarzaam toegepast. Sommige zelfs nooit.

Bijzonder behartigenswaardig is het advies om periodiek nut en noodzaak van de maatregelen opnieuw te bekijken. Fijntjes wordt opgemerkt dat in het parlement nooit een fundamentele discussie is gevoerd over de juistheid van het dreigingsbeeld dat steeds als „zeer ernstig” gold.

Dat is het vermoedelijk wel geweest. Maar is het nog zo? Legitimiteit, proportionaliteit en noodzaak van wetten zijn nooit los te zien van de ernst van de situatie. Het actuele gevaar moet worden beoordeeld om te zien of de Nederlandse wetten sporen met het Europese Verdrag voor de Mensenrechten, dat als toetsteen de „noodzaak in een democratische rechtsstaat” hanteert. Als het parlement in Nederland daar niet over praat, dan doen de rechters in Straatsburg dat wel. Met terugwerkende kracht zou sommige wetgeving er wel eens als noodmaatregel uit kunnen zien.

Evaluatie kan ertoe leiden dat bepaalde wetten moeten worden ingetrokken of niet meer mogen worden toegepast. Als het ging om zeer ingrijpende maatregelen zou, aldus de de commissie, een „horizonbepaling” gewenst zijn geweest: het automatisch aflopen van de geldigheid ervan.

Zo’n nuchtere, rationele benadering werd afgelopen jaren node gemist. Veel maatregelen werden elk apart steeds weer gepresenteerd als volstrekt onontkoombaar.

Dat de commissie rapporteert dat ‘het veld’ niet klaagt, wekt geen verbazing. Net zo min als de constatering van de commissie dat, behalve in acute situaties, onderlinge samenwerking geen natuurlijk gegeven is. Voor coördinatie en afstemming blijken geen richtsnoeren te zijn. Aan de bereidheid om onderling vertrouwelijke informatie te delen, kan worden getwijfeld. Veel maatregelen overlappen elkaar. De diensten denken er verschillend over welke effectief en dus toepasbaar zijn en welke niet. Op de helling ermee.

De historische ballast moet worden gelost, regels moeten worden herijkt en de bemanning moet op cursus.