God ziet alles, weet je. En jij komt in de hemel

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 7: een nacht zittend op de Dam in Amsterdam.

Een nacht leunen tegen het monument op de Dam en dan maar afwachten wie je tegen komt Foto David Galjaard en Christian van der Kooy bruidsreportage Galjaard, David;Kooy, Christian van der

Het monument op de Dam te Amsterdam.

Een door architect J.J.P. Oud ontworpen betonnen paal van 22 meter hoog, waarop beelden van John Rädecker zijn geplakt. Bovenop het beeld ‘de vrede’ en aan de voorzijde zitten vier geboeide mannenfiguren en twee honden. Ze hebben allemaal een symbolische betekenis, waarvoor ik graag verwijs naar Wikipedia.

Om de paal heen staat een gebogen gedenkmuur waarin elf urnen met aarde, afkomstig van fusillade- en erebegraafplaatsen uit elf provincies en een urn met aarde van de erevelden uit het voormalig Nederlands-Indië, zijn geplaatst.

Op de binnenkant van de muur staat een tekst van de dichter Adriaan Roland Holst:

‘Nimmer, van erts tot arend, was enig schepsel vrij onder de zon, noch de zon zelve, noch de gesternten. Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens. Uit die eersteling daalden de ontelbaren. Duchtend zijn hoge blik deinsden hun zwermen binnen de wet terug en werden volken en stonden elkander naar het leven, onder nachtgewolken verward treurspel, dat wereld heet. Sindsdien werd geen mens vrij dan ontboden van boven zijn dak, geen volk dan beheerst van boven zijn torens. Blijve ons dat bij, verlost als we werden uit het schrikbewind van een onderwereld. Niet onbeheerst, doch enkel beheerst van boven de wereld blijft vrijheid ons deel.’

De belettering is van Jan van Krimpen, dat u het weet.

Tegen dat fraaie lettertype, zat ik – ergens aan het eind van het gedicht – met mijn rug.

Want dat was het idee: ’s nachts op de Dam zitten en kijken wat er gebeurt. Ik had het helemaal zelf verzonnen, dus ik kon niemand de schuld geven. Dat was jammer.

De foto was al gemaakt.

Toen ik er net zat, belde een van de fotografen.

Het was een verschrikkelijke nacht op de Dam geweest, waarin niets gebeurde, maar ze hadden wel het geluk dat er aan het eind een bruidspaar verscheen voor een nachtelijke trouwreportage.

Hij wenste me ‘veel plezier’.

Ik zat te zitten, bestudeerde het monument, liep een rondje om het monument en deed er een half uur over om dat gedicht van Adriaan Roland Holst over te schrijven. Dat viel – vanwege de grootte van de letters – nog niet mee.

Het maakte een rare indruk.

Een passant stopte en vroeg: „Lekker bezig?”

Een vrouw met lange slierten vet haar in het gezicht kwam langs met de daklozenkrant.

De opbrengst ging naar ‘de arme verslaafde mensen’.

Daarna wilde ze ook een shagje draaien.

„Please, please...”

Nadat ze kreeg wat ze wilde, maakte ze een diepe buiging en zei dat ik in de hemel zou komen.

„God ziet alles, weet je, echt waar.”

Twee jongens, de oudste hooguit een jaar of dertien, wilden ook sigaretten draaien.

Dat mislukte een paar keer.

Ze waren geen zwerfkinderen of erger.

Ze kwamen uit Amsterdam-Zuid en bedankten met: „Dank u wel, meneer”.

Vier dronken Britten bekogelden elkaar met stukken New York Pizza.

Eentje viel er op de grond.

Ze gingen op hem zitten en wreven pizza in zijn gezicht.

Twee toeristen, aan de reisgids te zien Italianen, lagen te vrijen.

Zij een fototoestel op de heup, hij de hand in haar broek.

Een medewerker van ‘Stuffers bewaking’ parkeerde de bedrijfswagen voor het monument. Hij rekte zich uit en ging tegen de muur met urnen zitten.

Tussen zijn benen een Tupperware-bak met nasi, die hij in snel tempo leeg lepelde.

Had zijn vrouw gemaakt.

Ze gebruikte, anders dan bij de Chinees, grote stukken kip.

Hij at het koud, dat was net zo lekker als warm.

In zijn auto zat een hond.

Die deed hij zo de muilkorf af, dan mocht hij de bak uitlikken.

Morgen stopte zijn vrouw ander eten in de bak.

Het was altijd een verrassing.

Hij zat bij de afdeling objectbewaking.

Het object dat hij beveiligde moesten we maar raden.

Het Paleis op De Dam?

Peek & Cloppenburg?

De Bijenkorf?

„Ik zwijg”, zei de beveiliger.

Hij vond zijn beroep spannend – ‘maar er gebeurt niets’ – en de duidelijke gezagsverhoudingen spraken hem aan.

„Je krijgt een opdracht, die voer je uit. Ik ben flexibel, maar als ik mensen aanspreek, ga ik er vanwege het uniform, toch wel vanuit dat ze luisteren.”

Dit gezegd hebbende stond hij op.

Hij klopte geknoeide klontjes rijst van zijn uniformbroek, liet een boer en wandelde terug naar wagen en hond.

Twee Marokkaanse jongens rookten een joint.

Een zwerver in een slaapzak werd door twee surveillerende agenten op mountainbikes toegesproken.

Slapen was verboden.

Liggen mocht wel.

Maar niet ‘in hulpmiddelen’.

De zwerver kamde zijn haar met een plastic vork, sloeg de slaapzak over de schouder en sjokte richting station.

Een meisje zong ‘Let it be’ van The Beatles.

En daarna ‘We are the world’.

Ze wilde er graag geld voor hebben, maar niemand gaf wat.

Buitenlanders informeerden wat er nog open was.

Het antwoord ‘niets’ was een grote tegenvaller.

Er waren er die het niet konden of wilden geloven.

Waar of je dan nog drugs kon krijgen?

Een oudere buurtbewoonster, die haar hond bij voorkeur ’s nachts uitliet, adviseerde ze om dat aan taxichauffeurs bij het Centraal Station te vragen. Die zaten allemaal in de cocaïne.

Rond een uur of vijf verscheen een man in een oranje hesje.

Hij was van de gemeente en spoot alles nat.

Hij deed zijn werk zwijgend, en zonder aankondiging, waardoor alle aanwezigen een beetje nat werden.

Na hem kwam zijn collega met de bezem.

Er waren dit jaar minder duiven op de Dam dan vorig jaar.

De man met de bezem zei dat dit veel werk scheelde.

Want die beesten scheten dag en nacht.

Het gekste wat hij ooit had opgeveegd was een kunstarm.

Die had hij gewoon in de kar gegooid.

Als je dat soort dingen apart ging houden, bleef je aan de gang.