Blijf hard voor banken

Zeer gefrustreerd, zo toonde minister Bos (Financiën, PvdA) zich zaterdag in NRC Handelblad over de onmogelijkheid om de banksector naar eigen inzicht te hervormen.

De overheid is inmiddels eigenaar van sommige banken, crediteur van een meerderheid en algeheel garantsteller van alle banken in Nederland. Dat is de erfenis van de ingreep na het acute infarct van het financiële systeem in de herfst van vorig jaar.

Die ingreep is adequaat en competent uitgevoerd, zeker gezien de tijdsdruk waaronder de minister destijds stond. Maar er zijn nog twee etappes te gaan. Eerst zal de financiële sector zodanig moeten worden hervormd dat een herhaling van deze crisis, die de wereld in een ongekend zware recessie heeft geholpen, wordt voorkomen. Daarna moet de overheid zich uit de sector terugtrekken, want de Staat heeft geen rol bij de financiering van burgers en bedrijven.

Dit zijn beide lastige dossiers. Bos klaagt terecht dat nieuwe regelgeving in internationaal verband zal moeten plaatsvinden, maar dat daar de molens langzaam draaien. Het risico is altijd aanwezig dat de hervormingen zolang op zich laten wachten dat de herinnering aan de acute fase van de crisis is vervaagd, en er slechts verwaterde of tandeloze maatregelen overblijven.

Het formuleren van internationale regelgeving gaat bovendien gepaard met concurrentieoverwegingen: veel landen koesteren hun financiële sector en denken er baat bij te hebben die zo licht mogelijk te reguleren. Een race naar de bodem van de regelgeving was ook een van de belangrijkste redenen waarom het systeem uit de hand liep.

Beleidsmakers hebben daar bovenop te maken met een flagrant gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel in de sector zelf, waarover eurocommissaris Kroes zich vorige week nog beklaagde. In de financiële wereld leeft nog steeds het idee dat er hooguit een collectieve verantwoordelijkheid bestaat voor de crisis. En die komt, na verwerking in het menselijk brein, meestal neer op geen individueel gevoelde schuld.

Het nemen van nationale maatregelen, waarbij de eigen sector grotere verplichtingen worden opgelegd, is nauwelijks een optie. De eigen markt zou onder de voet worden gelopen door banken uit landen met een minder streng regime.

De minister verkeert zo in de onwaarschijnlijke positie dat hij weliswaar de macht heeft over het Nederlandse financiële systeem, maar die nauwelijks kan uitoefenen. Het verdient wel aanbeveling om niet op voorhand de eigen denkbeelden te laten verwateren, maar voldoende wisselgeld te bewaren voor de onderhandelingen in de internationale arena: de Europese Unie, het Internationaal Monetair Fonds en het G10-comité van de Bank voor Internationale Betalingen. De belangrijkste standpunten waarmee het strijdperk moet worden betreden: strengere kapitaaleisen aan banken; het opdelen van banken in instellingen die opereren met ingelegd geld van het publiek en zakenbanken die voor eigen risico hun gang gaan; zwaarder toezicht op Europees niveau. Compromissen sluiten kan altijd nog.