Taalverandering (1)

Sommige woorden krijgen op zeker moment een andere gevoelswaarde. Ook dat is een vorm van taalverandering.

Bij taalverandering denken de meeste mensen aan de uiterlijke kenmerken van taal. Spellingwijzigingen, nieuwe woorden en uitdrukkingen, veranderingen in uitspraak en grammatica.

Toch bestaat er ook zoiets als innerlijke taalverandering, een onderwerp waar je zelden iets over leest. Ik bedoel hiermee hoe de gevoelswaarde van bepaalde woorden gedurende ons leven verandert.

Ik denk niet dat dit opgaat voor alle woorden. Je leert al op jonge leeftijd wat een stoel is, aanvankelijk met de boodschap dat je er tijdens het eten vooral op moet blijven zitten, dus zonder telkens op te staan. Ik vermoed dat het woord stoel voor de meeste mensen – wellicht ontwerpers, meubelmakers en antiekverzamelaars uitgezonderd – aan het eind van hun leven nog ongeveer hetzelfde betekent: een ding om op te zitten.

Maar hoe zit dat bijvoorbeeld met woorden als vader, moeder, zoon en dochter, liefde en verliefdheid, dood, verraad, vergeving, ziekte, trouw en rouw – woorden die betrekking hebben op de belangrijkste verbintenissen, de hevigste emoties en de meest ingrijpende ervaringen in ons leven?

Houden dergelijke woorden gedurende ons hele leven dezelfde gevoelswaarde, of zijn dit woorden die langzaam rijpen, die een ander gewicht krijgen naarmate we meer van het leven hebben gezien en begrepen?

Ik vermoed dat dit laatste het geval is. Ik denk dat er een hele lijst met woorden te maken is waarvan de betekenis en gevoelswaarde aan veranderingen onderhevig zijn.

Neem de woorden vader en moeder. Wij worden geboren uit een vader en een moeder. Heel lang zijn zij de belangrijkste figuren in ons leven – zelfs als ze er nauwelijks of niet voor een kind kunnen zijn. Gaandeweg verandert de verhouding tussen ouder en kind.

Aanvankelijk ben je heel erg afhankelijk van je vader en moeder. Vervolgens komt er een fase waarin je je tegen hen afzet, en aan het eind van hún leven draaien de rollen vaak om: dan zijn zíj afhankelijk van jou, van hun kinderen.

Vinden we iets van deze ontwikkeling terug in de woordenboeken?

Nee. Een vader, zegt de Grote Van Dale, is een ‘man in betrekking tot het kind of de kinderen die hij verwekt heeft’. Een moeder, zegt hetzelfde woordenboek, is een ‘vrouw in relatie tot het kind dat of de kinderen die zij gebaard heeft’.

Ik ken verscheidene gezinnen waarin de vader niet degene is die de kinderen die in dat gezin leven, heeft verwekt. Hij is wel de vader, maar de echte of biologische vader – zoals die ter onderscheiding wordt genoemd – woont ergens anders, doorgaans bij een andere vrouw, in weer een ander gezin.

Maar verder lijkt Van Dale’s definitie van vader me correct. Zakelijk maar juist.

Het is ook niet aan een woordenboek om alle associaties die wij bij vader en moeder hebben, te vermelden, al was het maar omdat die associaties zo sterk uiteen kunnen lopen.

Maar in ons innerlijke woordenboek zijn die associaties wel degelijk aanwezig en bovendien zijn ze onderhevig aan veranderingen.

Als proef op de som vroeg ik drie kinderen – van elf, vijftien en achttien – om een definitie te geven van vader en moeder. Niet van hun eigen ouders, maar van een vader of moeder in het algemeen.

Volgende week de antwoorden.