Reiskoffer

Terwijl het peloton kronkelde over de smalle wegen door de Pyreneeën, deden jazzmusici in Nederland het North Sea Jazz Festival aan. Als toeschouwer heb je de luxe om de zwaarte van het vak van wielrenners en musici vanuit de leunstoel te volgen. Ze reizen dag op dag en worden – zodra ze in beeld zijn – altijd geacht te presteren. Hoe laat en waar dan ook.

Het was zaterdagnacht, of laat ik eerlijk zijn, het was zondagochtend. Ik stond in het Hilton in Rotterdam te kijken naar een sessie van muzikanten die een paar uur eerder nog op het festival excelleerden.

Het trio had het tempo van het nummer Song for my father bepaald en begon te spelen. Vanuit het donker schoof de Amerikaanse trompettist Roy Hargrove naar de microfoon. Hip hoedje op, glimplekken op zijn zwarte voorhoofd. Hij bracht de kelk van zijn trompet omhoog en blies een lange stroom van noten.

Ik keek op mijn horloge. Kwart voor vijf. Door het gordijn heen zag ik het ochtendlicht opkomen. Hargrove was één gang van zijn hotelkamer verwijderd, maar slapen ging hij niet. Liever liet hij zijn trompet schetteren. Over een paar uur moest hij weg. Op naar het Duitse Annweiler, de dag erop naar Antibes en vervolgens Stockholm.

Gisteren rond het middaguur kroop ik uit bed. Ik dacht terug aan Hargrove, het vermoeide hoofd vol noten moest nu schuin tegen een treinraam aanliggen, op naar de Duitse gig.

Op televisie begon de live-uitzending van de bergetappe naar Tarbes. Het peloton moest de Aspin en de Tourmalet over. Rabo-renner Laurens ten Dam sprong mee met een groep, in achtervolging op de koplopers. Ik volg hem tijdens de Tour op twitter. Hij zette in het weekeinde een foto van zijn overvolle koffer op het web. De zwenkwielen deden een hazenslaapje. Laurens tikte er een zinnetje bij. ‘Leuk Frans hotel. Koffer moet in de badkamer.’

Naast de koffer stond een kleine pedaalemmer met wat rommel erin. Lelijke tegels, goedkope wasbak, vieze handdoek op de grond. Troosteloos bestaan voor één nacht.

Op zondagochtend stuurde Laurens nog een berichtje de wereld in; op één kilometer van de start zat hij te chillen in het hotel. Zijn koffer lag misschien al in het vooronder van de bus. Laurens moest twee zware bergen over.

Tijdens de etappe kwam Laurens veel in beeld. Hij kwam in de tweede groep over de top van de Tourmalet. De renner had een lange afdaling voor de boeg.

‘Ten Dam gevallen!’

Pas na een paar minuten verscheen Laurens in beeld: op de fiets met een opengescheurd shirt, smerig door de val, de armen donkergrijs van het vuil. Hij nam zijn bidon en besproeide zijn armen. Douchen op de fiets. Laurens sloot aan bij het peloton, verbeet de pijn en ging aan het werk voor Rabosprinter Oscar Freire. Vergeefs, Freire werd derde.

Inmiddels stond de reiskoffer van Roy Hargrove al in een Duits hotel. Hij kon nog een paar uur de ogen dicht doen. ’s Avonds moest hij met zijn kwintet spelen in de concertzaal van Annweiler.

Laurens ten Dam lag weer in een vreemd Frans hotel. Met zijn trouwe koffer binnen handbereik. Weer dode tegels en een pedaalemmer in de badkamer. Laurens lag op bed en bekeek zijn schaafwonden die altijd zo vervelend blijven plakken aan de lakens.

Eindelijk, een rustdag.

    • Wilfried de Jong