Patriottisme als religie

Vrijdag in Urumqi. Aan de hekken van moskeeën hangt een mededeling dat gebedsbijeenkomsten door de autoriteiten zijn verboden. Foto’s en videobeelden tonen agenten met helmen, knuppels en schilden die moskeeën afgrendelen en zelfs wachtlopen op minaretten. Zeker twee gebedshuizen openden alsnog hun deuren toen honderden gelovigen er samenstroomden.

Politie in de moskee, dat gaat ook voor Chinese begrippen ver. Het vrijdaggebed wordt door hogerhand kennelijk beschouwd als een mogelijk subversieve samenscholing.

In Xinjiang wonen 8 miljoen islamitische Oeigoeren, 45 procent van de bevolking, en zij zijn er tweederangsburgers. Moslims in overheidsdienst ondervinden allerlei beperkingen. Mannen mogen geen baarden dragen, vrouwen geen hoofddoeken, en vasten en bidden op de werkplek zijn verboden. De secretaris van de communistische partij in Xinjiang, Wang Lequan, is een hardliner. Hij onderdrukt de islam, marginaliseert de Oeigoerse taal en zette talloze Oeigoeren gevangen op beschuldiging van terrorisme.

Intussen beleeft het boeddhisme, dat in de eerste eeuw uit India naar China kwam, een reveil. Tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) werden talloze tempels en kloosters verwoest. Maar die uitbarsting van anti-religieuze razernij is voorbij. Volgens officiële opgaven telt China nu 200 miljoen praktiserende boeddhisten.

De leiders in Peking moeten weinig hebben van religie, tenzij gelovigen zich goede patriotten tonen. Religiositeit mag, mits het geen uitdrukking is van oppositionele of separatistische gevoelens en het de eenheid van de Han-Chinezen niet bedreigt. In de steeds schimmiger staatsfilosofie van de Volksrepubliek lijkt het accent te verschuiven van atheïsme naar nationalisme. Gen Tong, een boeddhistische leider, heeft dat begrepen. Hij zei twee jaar geleden: „Wij moeten meewerken aan patriottisme en nationale eenheid en de leiders van de partij en het socialistische systeem omhelzen.”

Vandaar de rekkelijke houding tegenover boeddhisme in het algemeen, en de onverdraagzaamheid tegenover de Tibetaanse variant en de Oeigoerse islam. Peking gaat ervan uit dat die laatste, gezien de band met de Centraal-Aziatische buurlanden, alleen inspireert tot afscheiding. En wie wordt afgeschreven als landgenoot, wil het ook niet zijn.

    • Dirk Vlasblom