Onderzoek naar Oorlog tegen Terreur dringt zich op

De erfenis van de Oorlog tegen Terreur keert terug naar het hart van het politieke debat. Wat hield Cheney achter? Komt er toch justitieel onderzoek?

Een nieuw mysterie rond een geheimgehouden CIA-programma – met in de hoofdrol, hoe kan het anders, voormalig vicepresident Dick Cheney. Een nakend besluit om toch strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar CIA-medewerkers. En een nieuw rapport dat beschrijft waarom een omstreden afluisterprogramma nauwelijks effect blijkt te hebben gehad.

De Oorlog tegen Terreur van George W. Bush en Cheney is de laatste dagen terug in het hart van het politieke debat in Washington. En het wordt steeds waarschijnlijker dat president Barack Obama zijn verzet tegen nader onderzoek moet opgeven. Ook een van zijn vertrouwelingen, senator Dick Durbin uit zijn thuisstaat Illinois, zegt nu dat „zij die de wet hebben overtreden ter verantwoording moeten worden geroepen”.

De laatste onthulling kwam gisteren van The New York Times. De krant beschreef dat CIA-directeur Leon Panetta onlangs achter gesloten deuren heeft verteld dat Cheney persoonlijk heeft belet dat een geheim anti-terreurprogramma aan het Congres werd voorgelegd.

Vorige week lekte uit dat Panetta eind juni spoedoverleg vroeg over dat programma. Panetta vertelde daarin, schreven zes Democraten vorige week in een brief, dat hij zelf ook pas eind juni van het programma vernam. Hij had het meteen stopgezet, zei hij.

De zaak is omgeven door mysterie. Het is onduidelijk om wat voor CIA-werk het gaat. Diverse media melden dat er geen verband is met de wrede verhoren die de CIA na 11 september 2001 op terreurverdachten uitvoerde. Het zou gaan om incidentele acties die passen „in de paniek die na 11 september ontstond over mogelijk nieuwe aanslagen”, zoals het Republikeinse Congreslid Pete Hoekstra het omschreef.

Over de Oorlog tegen Terreur zijn de laatste jaren honderden rapporten en boeken verschenen van overheidsinspecteurs, wetenschappers en journalisten. Veel auteurs hebben de overtuiging dat de omvang van de anti-terreurstrijd nog altijd niet bekend is. Het zou gaan om de intensiteit waarmee de regering-Bush besloot de eigen bevolking te bespioneren, en de manier waarop terreurverdachten onder druk werden gezet om bekentenissen af te leggen.

Zo heeft journalist Ron Suskind in zijn boek De eenprocentdoctrine één geval beschreven waarbij de kinderen van terreurverdachte Khalid Sheikh Mohammed werden ontvoerd. Het is niet officieel bevestigd dat deze praktijk ook op familieleden van andere verdachten is toegepast, maar kenners van het CIA-werk zeggen dat zij in gesprekken met CIA-medewerkers wel die indruk hebben gekregen.

Obama speelt tot nu toe een dubbelhartige rol in het debat. Hij wil, zegt hij, een einde aan de praktijken die zich onder zijn voorganger voordeden, maar wijst strafrechtelijk onderzoek naar de verantwoordelijke functionarissen af. „We moeten vooruitkijken”, is zijn mantra in dit verband.

Maar minister van Justitie Eric Holder, ook een vertrouweling van de president, denkt hier anders over. Hij vindt dat CIA-medewerkers moeten worden vervolgd die hun boekje te buiten zijn gegaan bij het verhoren van terreurverdachten, zo werd gisteren bekend.

Het gaat dan niet om Bush, Cheney of leidinggevenden van de CIA, maar om degenen die terreurverdachten verhoorden. Hun mandaat was ruim: in de zogenoemde martelmemo’s van 2002 kregen zij toestemming voor technieken zoals waterboarding, waarbij een verdachte in de waan wordt gelaten dat ze hem zullen verdrinken. Het onderzoek zou zich dus richten op die CIA-medewerkers voor wie deze methoden nog niet ver genoeg gingen.

Holder is nog niet naar buiten gekomen met zijn opvatting. Dat gebeurt volgens The Washington Post naar verwachting over enkele weken. Als hoofd van het federale opsporingsapparaat kan hij los van de president tot een vervolgingsbesluit overgaan.

Er is een gerede kans dat dit strafrechtelijk onderzoek verweven wordt met een nu nog bestuurlijk onderzoek naar de vernietiging van video-opnamen waarop de omstreden verhoren waren vastgelegd.

Als dat gebeurt, leidt het waarschijnlijk tot grote politieke spanningen. Obama en enkele van zijn bondgenoten denken dat het politiek-tactisch nadelig voor ze is. Na de publicatie van de beruchte martelmemo’s overtuigde de impopulaire Cheney in mei een meerderheid van de bevolking ervan dat sluiting van de terreurgevangenis op Guantánamo Bay ongewenst is.

Republikeinen speelden gisteren dezelfde kaart. De Republikeinse senator John Cornyn uit Texas zei dat onderzoek het werk van de CIA in gevaar brengt, wat „desastreuze gevolgen” heeft voor „de veiligheid van Amerika”.

Maar Democratische voorstanders van onderzoek werden in het weekeinde gesterkt door een onderzoeksrapport naar het binnenlandse afluisterprogramma van de regering-Bush. Daarbinnen werden mensen die in de VS wonen en er verdachte contacten op nahouden zonder toestemming van de rechter afgeluisterd. Er werden duizenden levens mee gered, zeiden Bush en Cheney nadat het programma in 2005 was onthuld.

Maar uit het nieuwe rapport blijkt dat inlichtingenambtenaren „moeite hadden” voorbeelden te noemen waaruit het nut van het afluisterprogramma zou blijken. „Het speelde een beperkte rol in de pogingen van de FBI terroristen op te sporen”, aldus het onderzoek.

Naast het herstel van de economie had Obama gehoopt dat hij zich deze zomer kan concentreren op herziening van het zorgstelsel en een nieuw klimaatbeleid. Daarvoor is de steun van een beperkt aantal Republikeinen onontbeerlijk. Zijn hoge populariteit begint iets in te zakken, de werkloosheid groeit door.

Politieke aandacht voor Bush’ Oorlog tegen Terreur maakt zijn werk aan de economie en de zorg alleen maar ingewikkelder, zo waarschuwen zijn strategen. Het lijkt er niet op dat zij nog greep op de situatie hebben.