Liever leeuw dan schaap

Opwinding in Frankrijk over het vonnis, afgelopen vrijdag, in een geruchtmakende moordzaak. Een 27-koppige bende uit de Parijse buitenwijk Bagneux ontvoerde begin 2006 de joodse telefoonverkoper Ilan Halimi, hield hem drie weken gevangen en eiste losgeld, dat niet kwam.

Uiteindelijk stak bendeleider Youssouf Fofana het slachtoffer in de hals, overgoot hem met een brandbare vloeistof en hield zijn aansteker erbij. Halimi werd op een afgelegen plek naakt en geboeid achtergelaten. Hij overleed aan zijn verwondingen op weg naar het ziekenhuis.

De zaak is meer dan een gruwelijk fait divers, zoals blijkt uit de omzichtige berichtgeving. Het is een brandpunt van de Franse integratieproblemen, een cocktail die de verhoudingen in de buitenwijken op scherp kan zetten. Alle proceszittingen vonden, tot teleurstelling van de familie van het slachtoffer, plaats achter gesloten deuren. Het besluit werd genomen op formele gronden (er waren twee minderjarigen onder de daders), maar bij de autoriteiten speelden angst voor betogingen en escalatie mee. De herinnering aan de wekenlange banlieue-rellen van najaar 2005, met harde gevechten tussen immigrantenzonen en de politie, is nog vers.

Hoofdverdachte Fofana kreeg levenslang: 22 jaar onvoorwaardelijk. De overige bendeleden – de ‘cipiers’, het meisje dat ‘lokaas’ was, de medeplichtigen – kregen tussen de zes maanden en achttien jaar cel; twee werden vrijgesproken. De entourage van het slachtoffer en joodse belangenorganisaties kritiseren de lichte straffen voor de 26 medeplichtigen.

Antisemitisme was evident een motief. Het was meer dan een platte gelijkstelling van ‘jood’ aan ‘geld’ (en dus losgeld), zoals Fofana’s advocaat wilde doen geloven. Tijdens het proces trok de dader een schoen uit en wierp deze naar de familie Halimi, met de woorden: „Het zijn allemaal joden in die bank, mijn vijanden. Dit is een Arabische aanslag met een schoen-bom.” Overigens is Fofana zelf geen Arabier, maar een zwarte moslim en Frans burger.

Als verklaring van Fofana’s gruweldaden sprak een Franse sociologe in Le Monde van 11 juli over „geweld [...] in Tarantino-stijl” en „een diep gevoel van vernedering”. Een opmerkelijke interpretatie – het vermogen van sociale wetenschappers om daders van terroristisch geweld of moordpartijen in slachtoffers te veranderen is ongekend. Criminele geesten zijn er overal. Ongetwijfeld ook in Japan, waar men de manga-strips verslindt die Quentin Tarantino inspireerden tot Kill Bill en waar het moordcijfer desniettemin zo laag is als in IJsland. Relevanter is de handhaving van de wet. In dit geval: het feit dat Frankrijk anno 2009 wetteloze wijken kent, heuse zones de non-droit. Het is van een andere orde dan een buschauffeur in Gouda die een week een blokje omrijdt.

De dader ziet zichzelf niet als slachtoffer, maar als strijdbare moslim. Zijn optreden tijdens het proces herinnert aan ‘onze’ Mohammed B. Hij erkende de Franse wet en dus het proces niet, wel de sharia. Als enige van de 27 verdachten toonde hij geen berouw. Zeer opmerkelijk waren zijn laatste woorden ter zitting, afgelopen woensdag: „Beter één dag geleefd als een leeuw dan honderd dagen als een schaap.” (Libération , 11 juli)

Dit verlangen naar heroïek moet serieus worden genomen, zo betoogt Christopher Caldwell in zijn Reflections on the Revolution in Europe; Immigration, Islam and the West (2009). Het is een indringend en intelligent boek, zo zal ook wie de sombere conclusies niet deelt, moeten erkennen. Caldwell volgt als Amerikaans journalist en als columnist van de Financial Times de Europese immigratieproblematiek al tien jaar. Hij kent de Franse, Britse, Nederlandse, Zweedse en Spaanse situatie, hij legt de vinger op zwakke plekken in ons publieke debat en wijst op de ongemakkelijke uitruil tussen constitutionele vrijheden en maatschappelijke vrede waartoe de islam dwingt.

De zaak-Fofana illustreert twee van Caldwells voornaamste stellingen. Ten eerste: de recente Europese immigratieproblematiek is geen overgangsprobleem; hij noemt het even intractable als het Amerikaanse rassenprobleem. De vader van Fofana was een typische immigrant van de eerste generatie uit Ivoorkust, een hardwerkende glazenwasser: „Ik ben oud en sta elke dag om zes uur ’s ochtends op om te werken, terwijl Youssouf niets uitvoert.” Uiteraard zijn er talrijke tegenvoorbeelden, maar nogal wat kinderen van de tweede en derde generatie drijven af van het land waar hun machteloos toekijkende ouders nog wilden inburgeren. Ook Mohammed B. was zo’n geval van ‘de-assimilatie’.

Ten tweede: in tegenstelling tot veel islamcritici beschouwt Caldwell de religie niet als ‘achterlijk’ of ‘minderwaardig’. Nee, hij meent dat de bedreiging van de islam voor Europa juist ligt in zijn vitaliteit, in het bieden van een aantrekkelijk alternatief voor Europese, geseculariseerde „zielloze woestenij van de moderniteit”. Dit vereist dat je het verschijnsel religie serieus neemt als politieke factor en niet beschouwt als een langzaam verdwijnende troostprijs voor eenzame weduwen en maatschappelijke losers.

Liever leeuw zijn dan een schaap. Een romantisch verlangen naar avontuur. Zingeving die het dagelijks bestaan niet biedt. Een Pakistaanse Brit die zich voor de jihad in Irak laat rekruteren, heeft zo bezien veel gemeen met Ernest Hemingway die naar de Spaanse Burgeroorlog trok, of met Lord Byron die in 1823 de Grieken ging helpen tegen de Turken. Alleen komt deze impuls nu niet uit Europa, maar is ze ertegen gericht.

Van Byron citeert Caldwell de versregels:

When a man hath no freedom to fight for at home / Let him combat for that of his neighbours / Let him think of the glories of Greece and Rome / And get knock’d on the head for his labours.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/middelaar