In Limoges

Voor ons hotel in Limoges staat een officiële auto uit de Tourkaravaan, nummer 35 om precies te zijn. Het is een auto van de Tourorganisatie. Morgen gaat de Tour de France na een rustdag vanuit Limoges verder. Dan zij wij alweer weg, want voor de Tour zijn we niet gekomen.

Wij, dat zijn mijn schoonfamilie en ik, die om heel andere redenen het riskante plan opvatten om uitgerekend op ‘zwarte zaterdag’, als half Frankrijk op vakantie gaat, per auto naar Midden-Frankrijk af te reizen. Deden we dat met opzet? Zelfs dat niet, we deden het omdat we dachten dat het met de drukte wel zou meevallen.

Ikzelf was pessimistischer, maar tegen een schoonfamilie die een gesloten front vormt, valt niet op te tornen.

Bovendien hoefde ik niet zelf te rijden, dat deden zij, in twee auto’s, waardoor ik al helemaal geen recht van spreken had.

Mijn pessimisme werd bevestigd nog voor we Parijs, onze startplaats, uit waren: files zo ver het oog reikte. Dat heeft zo het grootste deel van de dag geduurd. Van Parijs naar Limoges is een rit van 360 kilometer. We deden er 6,5 uur over, waarmee meteen verklaard is waarom we als platgeslagen muggen over de meet kwamen.

Toch was het voor mij een leerzame ervaring, al was het alleen maar omdat ik nu weet hoe het is met uitpuilende blaas een wegrestaurant te betreden waar ook voor de toiletten een file staat.

De nieuwste toilettrend kan ik hierbij meteen signaleren: ook dames bezoeken steeds meer de minder drukke herenwc’s, al heb ik nog niemand van hen bij de pisbekkens mogen betrappen.

Nog voor we Limoges binnenploften, moesten we onze eerste missie volbrengen.

In deze contreien woont sinds een jaar een zuster uit een katholieke orde die, hoewel ze geen familie is, door mijn schoonfamilie als een levende relikwie gekoesterd wordt. En terecht, want het is een inmiddels 83-jarige Nederlandse vrouw, die zich een leven lang heeft weggecijferd voor de armen der aarde.

Ze begon als 17-jarige in een Brabants weeshuis, waar ze kromme vingers kreeg van het aardappelen schillen, en ze eindigde als verzorger van gevangenen in een Parijse gevangenis.

In die laatste functie heb ik haar nog mogen meemaken. Mijn indruk was dat er geen misdadiger rondliep voor wie dit kwieke vrouwtje ook maar enige angst voelde. Maar het werk werd voor een ruim 80- jarige te zwaar en ze moest naar een klooster bij Limoges.

Wij hielden ons hart vast. Zou ze na al die Parijse jaren wel kunnen wennen in de mooie, maar saaie heuvels rond Limoges?

Ze ontving ons stralend op de pantoffels die we haar drie jaar geleden gaven, en haar eerste woorden waren: „Ik heb nog geen dag spijt gehad van mijn verhuizing.”

Eindelijk wordt alles voor háár gedaan. Ze begint zelfs een beetje dik op de heupen te worden.

Toch moet ze een van de fitsten van het uit achttien nonnen bestaande gezelschap zijn. „Ze zijn allemaal doof of zien slecht”, zei ze met een meewarig lachje.

Daarna leidde ze ons onafgebroken pratend door het fraaie klooster rond.

Bijna terloops wees ze op een Mariabeeld dat ooit in aanwezigheid van drie zusters eenmaal geknikt had. „Het beeld moest worden hersteld”, zei ze.

Ook wij knikten, als vurige gelovigen.

    • Frits Abrahams