Een revolutie zonder dat er beleid voor is

Op de G8-top in Italië zijn vorige week grote woorden gesproken over het klimaat.

Maar wat zijn die woorden waard als niemand het had over beleid op korte termijn?

Als de G8, de rijke landen die bijeen waren in L’Aquila, hun eigen woorden serieus nemen, hebben ze vorige week de revolutie afgekondigd. Maar de vraag is of het geen luchtspiegeling is.

De G8 heeft beloofd de uitstoot van kooldioxide tot 2050 met 80 procent te reduceren. Zo kan worden voorkomen dat het wereldwijd twee graden warmer wordt dan in het begin van de negentiende eeuw, toen het grootschalige gebruik van fossiele brandstoffen de industriële massaproductie op gang bracht.

Wat is er zoal nodig om die doelstelling te halen? Om te beginnen moeten duizenden kolencentrales worden gesloten. Tegelijkertijd moet de productie van elektriciteit juist gigantisch worden opgevoerd, om het wegtransport de kans te bieden over te schakelen op elektrische auto’s. Overal waar het een beetje waait, dient een windmolenpark te verrijzen en dakpannen moeten massaal worden vervangen door zonnecellen. Daarnaast moeten miljarden worden geïnvesteerd om de gigatonnen aan kooldioxide, die in de tussentijd nog steeds vrijkomen bij de vervuilende elektriciteitsproductie, veilig in de aardbodem weg te stoppen – een techniek waarvan de effectiviteit overigens nog lang niet zeker is.

Opvallend is dat de G8-leiders in L’Aquila zwegen over de ingangsdatum van hun revolutie. Als over ruim veertig jaar het doel moet zijn bereikt, zijn de meeste wereldleiders ouder dan Fidel Castro nu is en misschien al wel overleden. Geen van hen draagt tegen die tijd nog politieke verantwoordelijkheid.

Wetenschappers, milieugroepen en ontwikkelingslanden zijn daarom meer geïnteresseerd in de korte termijn. Wat doen de VS, Japan, Europa, Australië, China, Brazilië, Zuid-Afrika concreet tot 2015 of 2020? Alleen de Europese Unie heeft een duidelijke toezegging gedaan. De EU zal zijn eigen CO2-uitstoot tot 2020 met 20 procent reduceren en is bereid verder te gaan als andere landen meedoen. Maar die andere landen doen er voorlopig het zwijgen toe. Ook de VS, die na het aantreden van president Obama leiderschap in het klimaatdebat hebben beloofd, zijn niet op de Europese handreiking ingegaan.

Ondanks de lof die Obama in L’Aquila kreeg toegezwaaid – in vergelijking met zijn voorganger Bush ziet het nieuwe Amerikaanse klimaatbeleid er al gauw rooskleurig uit – zijn de VS nog niet in staat om het beloofde leiderschap werkelijk te tonen.

Obama worstelt met een onwillig Congres. Het Huis van Afgevaardigden is onlangs nipt akkoord gegaan met een klimaatwet. De Senaat besloot vorige week om pas in september over die wet te gaan praten. Daarna zal die ongetwijfeld in afgezwakte vorm naar het Huis van Afgevaardigden terugkeren. Terwijl Obama juist haast heeft om de wereld nog voor de klimaatconferentie in Kopenhagen aan het eind van het jaar van zijn goede bedoelingen te overtuigen.

Vergeleken met het fraaie vergezicht van de G8, stelt de Amerikaanse klimaatwet weinig voor: een CO2-reductie die erop neerkomt dat de VS in 2020 terug zijn bij het niveau van 1990 (terwijl ze daar volgens het Kyoto-protocol in 2012 al fors onder hadden moeten zitten). Als het al niet lukt om zo’n bescheiden wet heelhuids door het Congres te loodsen, hoeft Obama thuis niet aan te komen met veel zwaardere verplichtingen binnen een afzienbare termijn.

Dus is het Amerikaanse leiderschap in het klimaatbeleid voorlopig vooral gericht op China en enkele andere opkomende economieën. Als die nou maar verplichtingen op zich zouden nemen, kan Obama in eigen land misschien een iets steviger vuist maken.

Maar Obama weet ook dat de Amerikaanse bevolking zich veel meer zorgen maakt over de economische crisis dan over de opwarming van de aarde. Deze week legde de directeur van het Amerikaanse milieuagentschap EPA daarom nog eens uit dat de klimaatwet de Amerikanen niet meer dan 1 dollar per persoon per dag zou kosten. Dat klinkt niet als een revolutie met de hierboven geschetste verstrekkende gevolgen.

Wat voor de VS geldt, geldt overigens ook voor de rest. In tijden van crisis valt het niet mee om een duur beleid te verkopen dat een mogelijk (en volgens een enkeling niet eens bestaand) toekomstig probleem moet oplossen. Ook het gemak waarmee de snel groeiende ontwikkelingslanden zich achter de tweegradengrens schaarden, zonder toezeggingen voor eigen reducties, wekt de indruk dat zo’n belofte niet veel voorstelt.

De onderhandelingen over een nieuw klimaatakkoord gaan in feite over de economie en over de vraag wie de grootste offers moet brengen. Wat dat betreft is de grens van twee graden temperatuurstijging een handig criterium. Al was het maar omdat niemand precies weet wat er moet gebeuren om daar niet overheen te gaan.

Het klimaatdebat is ook te volgen via: nrc.nl/klimaat

    • Paul Luttikhuis