Altijd in de literaire frontlinie

Vinkenoog kon in de 21ste eeuw nog steeds rekenen op grote publieke belangstelling.

Hij was een symbool voor de sociale revolutie die zich eind jaren zestig voltrok.

Op literatuurfestivals bleef Vinkenoog steevast een graag geziene gast. Foto Bas Czerwinski 12-03-2007, AMSTERDAM. SIMON VINKENOOG. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

Schrijver, dichter en beeldend kunstenaar Simon Vinkenoog is gisterochtend op 80-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden nadat hij vrijdagavond was getroffen door een hersenbloeding.

‘Een experience’, dat was het. Aldus de dichter Simon Vinkenoog vorige maand nadat in een Amsterdams ziekenhuis zijn rechteronderbeen was geamputeerd. Het was een optimistische en typerende reactie voor Vinkenoog, die in de dagen na de operatie zijn website vulde met foto’s van zijn medepatiënten.

Vanaf zijn stormachtige entree in de Nederlandse letteren begin jaren vijftig was Simon Vinkenoog een man die alles wilde meemaken: een dichter en beeldend kunstenaar die zich diep onderdompelde in het leven, de kunst en in de roes – om in zijn werk verslag van zijn ervaringen te kunnen doen.

Dat verlangen maakte hem tot Nederlandse beat poet, één van de voormannen van de experimentele poëzie in de jaren vijftig. Het hield hem ook daarna nog decennia in de literaire frontlinie: hij was een van de initiatiefnemers van de legendarische manifestatie Poëzie in Carré, die in 1966 de basis zou leggen voor de opkomst van poëzie als podiumkunst.

Maar ook op latere leeftijd werd hij getrokken naar de plaatsen in de dichtkunst waar het volgens hem gebeurde: de laatste jaren was hij een held van talloze slam poets, die in hem een levend monument zagen voor alles wat spannend en vernieuwend kan zijn. In 2006 en 2008 maakte hij platen met Spinvis: ‘Ja!’ en ‘Ritmebox’.

Bij de viering van zijn tachtigste verjaardag, vorige zomer in de Amsterdamse bibliotheek, moest wegens de kolossale belangstelling een extra zaal met videoscherm worden ingericht. Bij dezelfde gelegenheid verscheen Am*dam/Madmaster, een poëtisch eerbetoon van Vinkenoog aan de stad Amsterdam.

Hij was niet alleen een kind van die stad, waar hij op 18 juli 1928 werd geboren, maar ook een symbool voor de sociale revolutie die zich eind jaren zestig in die stad voltrok: Vinkenoog dompelde zich onder in de verschillende verschijningsvormen van het hogere: oosterse mystiek, drugs en de liefde – hij trouwde zes keer. Nog bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2006 was hij lijstduwer van een partij die de legalisering van cannabis propageerde.

Vinkenoog groeide op als zoon van een alleenstaande moeder in De Pijp in Amsterdam. Op zijn 21ste trok hij naar Parijs, waar hij een baan kreeg bij de plaatselijke vestiging van Unesco. Belangrijker voor hem was dat hij daar in contact kwam met jonge kunstenaars, zoals de schilders van de Cobra-groep en schrijvers als Remco Campert, Hugo Claus en Rudy Kousbroek.

Vanuit Parijs richtte Vinkenoog het tijdschrift Blurb op en hij ontwikkelde zich tot de spil van de Nederlandse kunstenaars daar: hij publiceerde het ene na het andere polemische artikel over experimentele poëzie.

In 1950 had Vinkenoog gedebuteerd met de bundel Wondkoorts, die draaide om het thema ‘haat’ zoals al uit de openingsstrofen bleek: ‘god neem uit mijn hoofd/ deze duizeling weg/ wanneer ik aan haar denk/ want wat is mij de liefde waard/ en wat is het leven zonder haat?’

Statisch zou Vinkenoogs werk nooit worden, en vormvast al evenmin. Zijn productie was enorm, maar zou bij de literaire kritiek een steeds gereserveerder onthaal krijgen. Al in 1962 noemde Vrij Nederland hem in de eerste plaats een katalysator.

Dat laatste was hij des te meer geworden door de samenstelling van de bloemlezing Atonaal (1951) met werk van onder anderen Andreus, Campert, Claus, Hanlo, Kouwenaar, Lodeizen en Lucebert. In 1954 verscheen zijn autobiografische debuutroman Zolang te water.

Vinkenoog keerde halverwege de jaren vijftig terug naar Nederland, waar hij een niet aflatende stroom gedichten, prozawerken en artikelen: hij was verbonden aan de Haagse Post en trad ook op de voorgrond als organisator van talloze (poëzie-)evenementen in de hoofdstad.

In 1965 werd hij veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens het bezit van marihuana. In 1968 schreef hij een legendarisch artikel over lsd in het tijdschrift Bres, waar hij jarenlang voor zou blijven schrijven.

Op literatuurfestivals bleef Vinkenoog steevast een graag geziene gast: zo geldt zijn optreden op Crossing Border van afgelopen herfst als een van de hoogtepunten. Vinkenoog mocht zich in de 21ste eeuw toch al verheugen in grote publieke belangstelling. In 2004 werd hij door poëziesite Rottend Staal verkozen tot officieus Dichter des Vaderlands nadat Gerrit Komrij was teruggetreden. Vorig jaar verscheen een grote uitgave van zijn verzamelde gedichten en publiceerde De Bezige Bij Vinkenoogs briefwisseling met Hugo Claus uit de jaren vijftig. Onlangs verscheen Hartslag, een bundeling artikelen over experimentele poëzie van zijn hand uit de periode 1949-1960.

Ook op internet was Vinkenoog zeer actief: er ging amper een dag voorbij zonder een nieuwe post op zijn weblog. Zijn laatste stukje van afgelopen dinsdag, verraadt een levenslust die tot het laatst bij hem is gebleven: ‘Ik heb al negenentwintig pagina’s volgekrabbeld in het Moleskine-notebook dat ik voor mijn 80ste verjaardag kreeg; ik hoop dat ik de 18e juli met Edith aan mijn zijde bij mooi weer mijn 81ste verjaardag hier in het tuinpark mag vieren met enkele uitverkoren vrienden en verwanten. Aan imposante wolkenvelden nog immer genoegen te scheppen, bovendien schieten zwaluwen, duiven en parkieten voorbij.’

Lees werk van Simon Vinkenoog via www.nrcnext.nl.