Zwemmers hebben recht op bord met muierigheid

Weinig badgasten kennen de muien aan het strand en de gevaren. Daarom moet de overheid voorlichting geven, vindt J.A. Roelvink, zeker nu de kust verandert.

Tientallen mensen moesten tijdens het warme weer van afgelopen weken uit zee worden gered door reddingsbrigades. De zwemmers hadden zich laten verrassen door zogeheten muien, gevaarlijke stromingen die vanaf de kust naar zee lopen en die overal langs onze kust kunnen optreden.

Sommige Nederlanders hebben wel gehoord van dit verschijnsel. Zij weten dat je bij afgaand water op bepaalde plekken niet moet zwemmen, omdat je dan de kans loopt in een mui terecht te komen en door een sterke stroom in zee gevoerd te worden. Maar veel officiële waarschuwingen zijn er niet en wat er over muien te vinden is op websites van kustgemeenten en reddingsbrigades, is meestal onnauwkeurige volkswijsheid.

Voor veel buitenlandse badgasten is het fenomeen al helemaal onbekend. De Duitser die vanuit Arnhem doorrijdt ‘bis die Füsse nass werden’ komt voordat hij in zee gaat zwemmen nergens een waarschuwing tegen, behalve de driehoekige borden op de strandhoofden. Het is dus al jaren zo, dat er een duidelijk gevaar bestaat voor mensen die de Noordzee niet kennen en dat daarvoor volstrekt onvoldoende wordt gewaarschuwd.

Daar komt bij dat in opdracht van Rijkswaterstaat langs de Nederlandse kust op grote schaal zandsuppleties worden toegepast, op het strand of onder water, bedoeld om de kust tegen afkalving te beschermen. Het gevolg van de zandsuppleties is dat het strand en de zandbanken voor de kust in hoogte en ligging veranderen en daarmee de ligging en de stroomsnelheid van de muien. Na de suppletie kan het maanden tot jaren duren voor er een nieuw evenwicht wordt bereikt.

Bij de suppleties is de toekomstige ligging van muien geen belangrijk criterium in de bepaling van waar en hoeveel zand moet worden gestort. Er bestaan geen regels of betrouwbare voorspellingsmethoden voor.

Naar mijn oordeel onderkent de overheid dit probleem onvoldoende; er wordt onvoldoende aandacht besteed aan voorlichting van het publiek over dit levensbedreigende verschijnsel. Andere landen, zoals Groot-Brittannië, Australië en de Verenigde Staten lopen hierin ver voor. Deze landen begeleiden ingrepen in de kustzone altijd met uitgebreide publieksvoorlichting.

Een eerste probleem in Nederland is dat onduidelijk is wie hiervoor verantwoordelijk is: de gemeente, de reddingsbrigade, de politie of Rijkswaterstaat. De gemeente zet soms wat op een website; reddingsbrigades letten op, maar alleen op bewaakte stranden en in het hoogseizoen; het Korps Landelijke Politiediensten is formeel verantwoordelijk voor zwemveiligheid maar het ontbreekt het korps aan kennis. Waarschijnlijk is Rijkswaterstaat de instantie die zich hiermee actief zou moeten bezighouden, omdat deze dienst de kennis heeft en in staat is om een landelijk beleid op dit punt te ontwikkelen – en gedeeltelijk ook verantwoordelijk is voor de problemen. De volgende acties zijn dringend nodig.

1 Uitgebreide publieksvoorlichting, zoals bij iedere strandopgang naast de gebruikelijke twintig verboden (radio’s, honden etc.) op een duidelijk bord in een paar talen en met een helder plaatje en begrijpelijke uitleg over muien, waar en wanneer ze optreden en wat je moet doen als je erin terechtkomt. Ook kan men denken aan folders bij de VVV, websites en populair-wetenschappelijke publicaties die er wat dieper op ingaan.

2 Ontwikkelen van operationele voorspellingssystemen, bestaande uit een koppeling van videobeelden en modellen. Uit de videobeelden kun je stroompatronen afleiden. De modellen berekenen de stroomsnelheden. Zo kunnen van uur tot uur de meest waarschijnlijke plaatsen van muien worden geschat, en kan tevens een rapportcijfer voor ‘muierigheid’ worden gegeven. Een bijkomend voordeel is dat een dergelijk model ook andere informatie kan leveren die voor surfers, zeilers en andere recreanten nuttig is, zoals golfhoogten, waterstanden en stroomsnelheden. De constante toepassing en toetsing aan de actuele situatie levert bovendien veel kennis op over het kustsysteem, vergelijkbaar met de situatie bij weerrapporten en -voorspellingen.

3Starten van systematisch (veld)onderzoek naar het vóórkomen van muien en de invloed erop van zandsuppleties. Er is in Nederland veel kennis over de fysische verschijnselen en er zijn goede observatie- en modelleertechnieken beschikbaar (zie de websites van de instituten aangesloten bij het Nederlands Centrum voor Kustonderzoek) maar die worden onvoldoende concreet toegepast op dit punt.

Een veelgehoord bezwaar tegen het geven van informatie is dat, als de informatie niet helemaal klopt en er verdrinkt iemand, de informatieverstrekker – bijvoorbeeld een welwillende gemeente – een rechtszaak aan zijn broek kan krijgen. Deze redenering zou ertoe leiden dat om risico’s te mijden er maar helemaal geen voorlichting gegeven zou worden. Dat zou dan ook voor verkeerde weerberichten gelden. Dat gaat natuurlijk een stap te ver.

Mij lijkt het reëler dat de overheid op een dag aansprakelijk wordt gesteld wegens nalatigheid in het verstrekken van informatie over een bekende gevaarlijke situatie. Gewoon doen dus.

Prof.dr.ir. J.A. Roelvink is verbonden aan het Unesco-IHE Institute for Water Education en Deltares.