Over, maar pas na lang praten

Ook in het zuiden zijn de schoolvakanties bijna begonnen. In Tilburg vergaderen docenten over de vraag welke leerling over kan en welke blijft zitten.

Nederland, Tilburg, 09-07-2009 Scholieren van het Willem II College helpen tegen een kleine vergoeding op school bij het sorteren van de ingeleverde schoolboeken. Foto: Joyce van Belkom Belkom, Joyce van

Het meisje was al blijven zitten in drie havo. Nu is ze volgens haar docenten op het Koning Willem II College in Tilburg weer niet goed genoeg om zomaar over te gaan, maar ook niet slecht genoeg om te blijven zitten.

„Geschiedenis gaat ze volgend jaar nooit halen. Dramátisch.”

„Haar tekst is zwak.”

„Ik heb er weinig vertrouwen in.”

„Het risico is te groot.”

„Ze had een knieblessure.”

Die laatste was de gymdocent. Wiskunde wil haar wel een kans geven.

Acht docenten stemmen voor bevordering, vier tegen. Als ze het meisje laten doorgaan, is het argument, kan ze altijd naar het mbo.

De middelbare scholen in Noord- en Midden-Nederland zijn al met vakantie. Het zuiden gaat volgende week. Op het Koning Willem II College konden leerlingen deze week nog hun proefwerken inzien en boeken inleveren.

De docenten bespreken komende week de rapporten van alle 1.700 leerlingen, op het vmbo, havo, atheneum en gymnasium. Zo gaat dat overal in het land voor het begin van de zomervakantie.

Ook in Tilburg is de vraag: Wie blijft zitten, wie niet en hoe bepaalt de school dat?

In lokaal F104 en ernaast in het muzieklokaal zitten donderdag telkens twaalf docenten of meer bijeen, van elk vak één.

Elk uur wordt een klas van ongeveer dertig leerlingen besproken, in beide lokalen tegelijk.

Van de 162 leerlingen die tot laat in de middag de revue passeren, blijven er vijf zitten. Twee krijgen geen rapport, omdat ze te weinig aanwezig waren, door ziekte. Dertien kinderen (zes meisjes, zeven jongens) zitten ‘in de bespreekzone’. Twijfelgevallen.

Over hen praten de docenten wat langer door. En dan blijken ze tot verbazing van een andere docent bij geschiedenis géén inzicht te hebben of in het Frans wél te kunnen spellen.

Als de docenten het niet met elkaar eens zijn, wordt er gestemd. Dan mag een kind meestal alsnog door, misschien naar een volgende klas op een lager niveau. Ook als de stemmen staken, krijgen leerlingen het voordeel van de twijfel.

Vervolg Rapport: pagina 3

Geen enkel kind blijft zómaar zitten

„Ik vind haar heel zwak, misschien kan ze beter havo doen”, zegt een docent over een ‘twijfelgevalletje’.

„Ze loopt op haar tenen.”

„Ik heb er wel vertrouwen in, voor Duits.”

„Geschiedenis is zwak.”

„Ik vind haar ongelukkig, ze maakt een angstige indruk.”

„Ik denk vooral dat ze traag is.”

„Het niveau kan ze aan, maar als ze er gelukkiger van wordt, moet ze naar de havo.”

Het wordt 4 vwo met het advies om naar 4 havo te gaan.

Die dubbele adviezen geven de docenten vooral als een leerling ondanks krappe voldoendes ergens anders het best af is en de ouders of de leerling dat anders zien.

Als meisjes worden besproken zijn ze vaak streberig, depressief of onzeker. Ze zijn brutaal of ongeïnteresseerd. Als jongens worden besproken zijn ze lui of agressief.

„Hij heeft een eindspurt proberen te maken. Dat is net gelukt.”

„Zijn ouders hadden me verzekerd: hij zou er nu ook echt voor gaan.”

„Uiteindelijk gaat hij het hier niet mee redden.” Nu mag hij door naar drie vwo.

Geen kind blijft zitten gewoon omdat het te dom is. Er is altijd wat. Ze trainen te veel, slapen te weinig, zijn ineens aan het puberen geslagen. Vaker zijn het de ouders, of óók de ouders. De ouders hebben ruzie, de ouders zijn nooit thuis, ze willen te veel. Er is er een ziek, of dood. En wie bedacht dat het meisje naar het vwo moet, moet, moet?

Door al die dingen moet je zien heen te prikken, zegt afdelingsdirecteur vwo Jan de Veer, om die ene vraag te kunnen beantwoorden: houdt een kind zich volgend jaar staande? En: wordt het daar gelukkig van? Een kwestie van ervaring, zegt hij.

Dit meisje deed al eens tweevmbo:

„Ze is eindelijk getest: ze heeft voldoende capaciteit, maar heeft duidelijke aanwijzingen nodig.”

„De achtergrond thuis is een probleem.”

„Volgend jaar krijgt ze het nog zwaarder met Duits.”

„Ze kan haar agenda niet bijhouden.”

„Heel triest, alleen tweeën en drieën voor Frans.”

„Haar moeder biedt haar structuur, maar ze woont bij vader.”

„Als ze thuiskomt, is er niemand.”

„Ze moet naar een huiswerkinstelling.”

„Dat hebben we in de brugklas al gezegd.”

„Moeten we haar daar op afrekenen?”

Één tegenstem en het meisje is over. Veel kinderen zijn getest, blijkt. Vaak omdat de ouders erop aandrongen. Soms vinden ook de leraren dat een leerling getest moet worden:

„Zou het faalangst kunnen zijn?”

Meestal blijkt dan uit testen dat met de leerling niets aan de hand is. In elke klas zijn wel één of twee of drie kinderen dyslectisch. In de klas met sporttalenten, die is er ook, zijn er zes dyslectisch. Twee leerlingen hebben dyscalculie, moeite met rekenen.

Als de leerlingen hard hebben geleerd, levert dat soms stemmen op: „Hij heeft laten zien dat hij het kan”.

Soms werkt het tegen hen: „Je zegt het zelf: hij werkt keihard, en dan deze cijfers.”

Een luie leerling moet worden uitgedaagd: „Als we haar nog eens drie havo laten doen, doet ze volgend jaar helemaal niets.”

Op vrijdagochtend komt een brugklas voorbij. Zijn het vmbo-, havo- of vwo-kinderen? Ouders blijken docenten nog op de ochtend van de rapportbespreking te bellen, over hoe hard zoon of dochter heeft gewerkt en dat het kind echt heel graag naar de havo wil. Een moeder heeft de nacht voor de rapportbespreking de uitslag van de dyslexietest naar de afdelingsdirecteur gefaxt. „Nu is ze officieel dyslectisch. Dat gaat natuurlijk niet alles voor haar oplossen”, zegt hij.

Maar als een vader, moeder of neef lange tijd keer op keer heeft laten weten hoe belangrijk het is dat de leerling goed terechtkomt, kan dat helpen: „Belt moeder uiteraard ook nog een keer om te zeggen hoe belangrijk het is dat hij havo doet. Eerlijk gezegd ben ik daar een beetje voor gevallen.” Of: „Ik wil van jullie weten: Als de familie echt graag gymnasium wil, gaan wij er dan vóór liggen?”

De meeste kinderen gaan over.

„Geweldige lijst”.

„Wat een schitterend kind.”