Nieuwe media voor een nieuwe democratie

Europese landen zien in de moeilijkheden die kranten ondervinden een bedreiging voor de democratie. Is die zorg eigenlijk wel terecht, vraagt Ben Knapen zich af.

Met The New York Times gaat het niet goed. Deze eerbiedwaardige en gezaghebbende instelling heeft zo’n belabberde beurskoers dat de schulden inmiddels groter zijn dan het eigen vermogen. De Times zal wel niet verdwijnen maar hij wankelt.

Dat betekent nogal wat, want wie stuurt er dan nog verslaggevers naar Irak om een onafhankelijker beeld aan te bieden? Wie zoekt er dan nog uit hoe de geldstromen in de gezondheidszorg eigenlijk lopen? Enzovoorts, enzovoorts. In het geding is de laatste, algemene, landelijke kwaliteitskrant. In het geding is ook een wezenlijke leverancier van de grondstoffen van debat: feiten, inzichten, argumenten.

Gek genoeg maken Amerikanen er zich niet zo druk over. Er wordt hier en daar wel geklaagd over het democratisch tekort wanneer een stad zijn laatste krant verliest – en dat gaat in de huidige crisis hard – maar de noodklok over de democratie wordt er niet geluid. Misschien is het naïviteit, misschien een onwankelbaar vertrouwen in de democratie. De wereld van de bloggers reageert soms gewoon met leedvermaak. In die kring wordt kennelijk ook een beetje afgerekend met een elite van krantenjournalisten – een soort afrekening binnen het milieu.

Maar het verschil met Europa kan niet groter zijn. Hier duiken in alle landen de overheid en de journalistieke professie op en zoeken soelaas voor de moeilijkheden die de klassieke media – radio, televisie, kranten – ondervinden. Europese overheden zitten er met hun prominente rol in publieke omroepen ook meestal zelf middenin.

In ons land bepleitte onlangs nog een commissie-Brinkman een verder onderzoek naar het functioneren van de journalistiek in de democratie. Zij ziet serieuze bedreigingen en entameerde een speurtocht naar „aanknopingspunten voor bestendiging van de journalistieke infrastructuur in het nieuwe digitale domein.”

Toch is het goed om de relatie tussen media en democratie scherper in het vizier te krijgen. Teloorgang van de vertrouwde media en de kwaliteit van een democratie raken elkaar wel, maar ze zijn niet hetzelfde.

Neem bijvoorbeeld de pluriformiteit, die de klassieke media sinds jaar en dag bedreigd zien. In Hilversum wordt tot de dag van vandaag een wonderbaarlijk stelsel overeind gehouden omwille van deze pluriformiteit. Maar dat probleem is dankzij internet glansrijk overwonnen. Iedereen kan zijn eigen webpagina’s beginnen, vele burgers doen het ook en verrijken internet met hun kennis en inzicht. Je zou er de vlag voor kunnen uithangen, maar het hele discours erover is getoonzet in mineur.

Het functieverlies van papieren kranten en publieke omroepen heeft voor de branche verstrekkende gevolgen. Voor een democratische samenleving zijn de gevolgen anders, gevarieerder en soms verrassend.

Een paar functies van media zijn wezenlijk voor een democratie. Klassieke media doen als geen ander aan onderzoek en verslaggeving, zij verbinden een breed publiek en maken daarmee een breed maatschappelijk debat mogelijk en bovendien bieden zij impliciet een permanente opfriscursus maatschappelijk functioneren.

Websites sturen geen verslaggevers op pad. Het businessmodel laat zoiets ook (nog?) niet toe. Het is daarom ook wel een beetje cynisch om een Amerikaanse internetkrant Huffington Post te horen smalen over de dinosaurussen van krantenland en tegelijkertijd dankbaar hun reportages en bevindingen te zien gebruiken om verkeer op de site te genereren. Bij de Huffington Post werken vijftig redacteuren, bij The New York Times 1.200, dus het is ook niet zo gek dat de Times zoveel eigen onderzoek kan bieden en de Huffington Post voornamelijk redigeert en combineert.

Anderzijds kunnen burgers nu ook zelf verrassend brede kennis aanboren. Een community die de verkoop van Essent kritisch volgt, is bijvoorbeeld in een handomdraai gevormd. En in een handomdraai zijn ook relevante feiten en inzichten te verzamelen en te schiften.

Een volgende stap in een ontwikkeling waarbij burgers het heft in handen kunnen nemen, is te bezichtigen aan de 17e straat in Washington. Daar zitten zo’n 35 onderzoekers/verslaggevers die zich noemen het Center for Public Integrity. Ze worden betaald door burgers, stichtingen en bedrijven met als missie onafhankelijk onderzoek naar onderwerpen van publiek belang. In de toezicht- en bonussendiscussie in Amerika zijn ze inmiddels een relevante leverancier van journalistiek feitenonderzoek.

Andere niet-gouvernementele organisaties zien hier ook mogelijkheden. De International Crisis Group in Brussel is op deze manier inmiddels een onmisbare leverancier van achtergrondinformatie over diverse internationale conflicten. Transparancy International in Berlijn produceert meer materiaal over corruptie van staten in de wereld dan de meeste klassieke media.

Natuurlijk is voorzichtigheid geboden: niemand zal willen blindvaren op de onafhankelijke inzichten van Greenpeace of Chevron, maar er tekent zich een ontwikkeling af waarin de civil society op een interessante manier oprukt. Ook al biedt dit dan niet meteen die „bestendiging van de journalistieke infrastructuur” waar de commissie-Brinkman voor pleit.

Het met elkaar verbinden van een breed publiek is een andere kernfunctie van klassieke media. Die is wezenlijk. Dingen die in een krant staan of in een actualiteitenprogramma aan de orde komen, maken alleen al daarom deel uit van het publieke discours. Het bereikt voldoende mensen om het er verder, indien nodig en gewenst, met elkaar over te kunnen hebben. Het verbindt burgers met een maatschappelijke agenda, maakt hen deelgenoot van beïnvloeding, van tegengestelde opvattingen en van compromissen en dat zijn essentiële bestanddelen van een democratie.

Zo’n collectief platform biedt internet niet. Los van de korte nieuwsdingetjes op vele sites, verbindt internet niet zozeer algemeen geïnteresseerde burgers dan wel gelijkgestemden. Want de kracht van internet is nou juist dat je je eigen menu samenstelt, geen tijd verdoet aan datgene wat je niet interesseert. De kracht van de krant is nou juist dat je meegenomen wordt in onderwerpen die je niet had verwacht, maar die er voor je maatschappelijk functioneren in bredere zin kennelijk, volgens een redactie, wel toe doen.

Aan deze kernfunctie om een breder publiek rondom maatschappelijke agenda’s te verzamelen voldoen de klassieke media in Nederland nog altijd. Honderdduizenden Nederlanders zijn bereid ervoor te betalen via een abonnement of kijken naar nieuws en achtergrond van de publieke omroep.

Maar het is ook duidelijk dat deze functie op de tocht staat. Mensen doen andere dingen in hun vrije tijd en de publieke omroep is in de curieuze positie gebracht dat ze om kijkcijfers moet concurreren met de commerciële omroep. Het leidt tot een betrekkelijk kunstmatige spagaat om enerzijds de maatschappelijke zaak te dienen en anderzijds een natie te bedienen die op zoek is naar afleiding en kortstondig vertier. In de kern gaat het hier om een onderwerp dat groter is dan de media. Tot op grote hoogte zijn media een illustratie, niet de drijvende kracht achter fragmentatie, maatschappelijke desinteresse en consumentisme.

De commissie-Brinkman heeft de vinger op een aantal zere plekken gelegd. Wat meer vertrouwen in de vindingrijkheid van burgers en journalisten had ook gekund. Werkelijk spannend wordt het pas wanneer de publieke omroep zelf tegen het licht wordt gehouden. Het gaat om veel geld en er moeten zoveel doelen worden gediend dat de kernfuncties uit oogpunt van maatschappelijk belang steeds meer in het geding komen.

De commissie-Brinkman ging echter niet over de publieke omroep. In de politiek heeft niemand daar ook veel zin in. Want voordat je het weet, raak je verstrikt in een wirwar van Haagse haalbaarheden en sneuvelen ministers. Brinkman zelf weet daar alles van.

Maar eens zal dit onderwerp toch ten principale aan de orde komen.

Ben Knapen is lid van de WRR, bijzonder hoogleraar media en kwaliteit aan de Radboud Universiteit Nijmegen en columnist van NRC Handelsblad.