Neem een taxi

Op 27 februari 1993, een dag na de eerste aanslag op het World Trade Center, gingen mijn collega Lucas en ik eten in Chinatown. Hij kwam me halen in mijn hotel. We namen een taxi. Dat gaat in New York heel gemakkelijk. Je gaat aan de rand van de stoep staan, steekt je hand op en binnen hooguit enkele minuten heb je er een. Onze chauffeur was een man met een baard en een soort tulband. We vroegen hem wat hij van de aanslag dacht. In vloeiend Engels met een oosters accent zei hij: „De daders zijn in ieder geval geen Afghanen, want dan hadden die torens daar niet meer gestaan.” Dat antwoord hadden we niet verwacht. Sinds 11 september 2001 denk ik met enige regelmaat aan deze chauffeur.

In New York kun je iedere kleur, iedere cultuur achter het stuur van de taxi aantreffen. India, Pakistan, Rusland, Uruguay, de hele Verenigde Naties zijn vertegenwoordigd. Hij brengt je waar je moet zijn, je betaalt het bedrag dat op de meter staat, doet er nog iets bij en de man rijdt weg, naar de volgende klant. Eén keer trof ik iemand die er Europees uitzag. We reden weg, hij schoof het raampje dat chauffeur en passagier scheidt een stukje open en vroeg of ik er bezwaar tegen had als hij een sigaret rookte. Absoluut niet, als ik er ook een mocht opsteken. Het rookverbod was al een paar jaar van kracht. Ik vroeg hem waar hij vandaan kwam. Boekarest.

Toen werd de Amsterdamse taximarkt geliberaliseerd. Dat was goed voor de klant. Scherpere concurrentie, dalende prijzen, nog hoffelijkere chauffeurs. En de klant kon uit de rij de taxi kiezen die hem het best beviel. Het duurde niet lang voor zich bij het Centraal Station een jungle had ontwikkeld. Schreeuwen, rennen, schelden en verhalen over passagiers die dertig euro hadden moeten betalen om van het CS naar de Dam te komen. Ik heb er toen een stukje over geschreven, waarin ik het gemeentebestuur uitnodigde een studiereis naar New York te maken.

Je komt aan op Kennedy Airport, bereikt de buitenlucht en daar zie je aan de overkant van de straat een rij gele taxi’s en misschien ook een rijtje wachtende mensen. Er staat een mevrouw of meneer in uniform die vraagt waar je heen wilt. The Bronx, Queens, Brooklyn, Manhattan. Dat zijn vier van de vijf boroughs. Welke bestemming je binnen zo’n borough ook hebt, er geldt een flat rate, een vaste prijs, plus de tol voor een tunnel. Voor Manhattan is de flat rate 45 dollar. Daarvoor zit je vorstelijk een half uur (of langer, hangt van de verkeersdrukte af) achterin een grote auto. Je kunt ook nog naar de televisie kijken maar doe dat niet. Wat je buiten ziet is veel interessanter. Eerst het terrain vague van de metropool, dan komt de skyline in zicht, je gaat door een bijzonder lange tunnel en als je eruit komt ben je al dicht bij huis, daar waar onze voorouders Nieuw Amsterdam hebben gesticht.

Het tarief van de gewone stadsrit staat in grote letters en cijfers op het portier, en ook wat je moet betalen als je in een opstopping terechtkomt. En in de auto kun je op een aangeplakt briefje lezen wat je moet doen als je klachten hebt. Voorbeeldig. En dan, voor het geval je de gewone taxi niet vertrouwt of te simpel vindt, heb je ook nog de limousinediensten die met hun hoffelijke chauffeur in zijn prachtkar precies op tijd voor de deur staan. Ik geef toe, ik leg het wat uitvoerig uit. Dat komt omdat ik zo goed mogelijk wil beschrijven, hoe eenvoudig het is, in een stad die meer dan tien maal groter is dan Amsterdam, goed werkend taxivervoer te hebben. Het heeft trouwens nog twee voordelen: alle taxi’s zijn geel en – ik weet niet of het mag – in ieder geval stelt de chauffeur het niet op prijs dat je naast hem gaat zitten. In Nederland lijken veel passagiers dat juist fijn te vinden. Parmantig kijkend zitten ze achter de voorruit. Als ik chauffeur was, zou ik het als een ongewenste intimiteit beschouwen.

Nu zijn we, na de doodslag op het Leidseplein, in het volgende hoofdstuk beland. Alle autoriteiten zijn ontzet en opnieuw laaien de ruzies op, over regels en wie waartoe bevoegd is en wat chauffeurs moeten doen en laten. Voor alle zekerheid wacht ik de uitslag van het gerechtelijk onderzoek af. Het kan vriezen en het kan dooien. Maar ik heb één grote vrees: bij mijn leven komt het met de Amsterdamse taxi’s niet meer goed, evenmin als met het Stedelijk Museum, de Noord-Zuidlijn, het Paleis op de Dam, de razendsnelle trein naar Parijs en het roken in kleine cafés. Als hier de Olympische Spelen worden gehouden, in 2028, is het met de taxi’s ook weer in orde.