Mozart gebracht met weinig passie

Klassiek Radio Kamer Filharmonie o.l.v. Andrea Marcon, met Franziska Gottwald, mezzosopraan. Werken van Mozart. Gehoord: 10/7 Concertgebouw, Amsterdam. Info: www.robecozomerconcerten.nl.***

Mozart, Mozart, Mozart. Tijdens de Robeco Zomerconcerten dirigeert de Italiaan Andrea Marcon drie dagen achter elkaar muziek van deze beroemde Oostenrijker. Hij begon gisteren met een programma vol operamuziek, vanavond en morgenavond staan kamermuziek, solo- en duoconcerten en symfonieën op het programma.

Marcon is vooral bekend van zijn eigen Venice Baroque Orchestra, waarmee hij voornamelijk pre-Mozartiaans repertoire uitvoert. Dat hij in Mozart toch zijn mannetje staat, viel vooral te horen in de ouvertures van La clemenza di Tito en Le nozze di Figaro. In pittige tempo’s (soms iets te uitdagend voor de musici) zette Marcon een lichte maar toch markante orkestklank neer. De nadruk lag daarbij over het algemeen meer op dynamiek en energie dan op verzorging van details, met uitzondering van de houtblazers, die juist met verzorgde klank wisten te fonkelen.

De Vierde serenade in D, K.V. 203, werd over twee ‘sessies’ verspreid, waarbij ook de delen nog eens vrijelijk door elkaar werden gehusseld. Ondanks Marcons inspanningen bleef het weinig opwindende achtergrondmuziek, waarin concertmeester Elisabeth Perry niet al te overtuigend optrad als solovioliste.

De Duitse mezzosopraan Franziska Gottwald zong vier bekende mezzo-aria’s uit het Italiaanse operarepertoire van Mozart. Haar stemgeluid is vol, met een subtiele schaduw die allerlei diepten zou kunnen suggereren. Helaas leek Gottwald de aria’s echter te veel als pure muziek te beschouwen, los van tekst en theater.

‘Deh per questo’ uit La clemenza di Tito gaat bijvoorbeeld over het berouw van Sestus, die een moord op zijn vriend Tito heeft beraamd. ‘Va pure ad altri in braccio’ uit La finta giardiniera is het relaas van een minnaar die zelfs de ontrouw van zijn geliefde verdraagt. Beide aria’s zong Gottwald echter met dezelfde vlakke, onaangedane houding. Die afstandelijkheid kan in Barokmuziek, waarin Gottwald goed thuis is, soms goed uitwerken, maar bij latere opera’s, zeker in het Italiaans, is meer oprechte danwel geacteerde hartstocht gewenst.

In Italië zou Gottwald met zo’n gebrek aan passie waarschijnlijk niet wegkomen. Het Robeco-publiek vroeg echter keurig om een toegift, die al netjes klaarlag: ‘Non so più cosa son’, de aria van Cherubino uit Le Nozze di Figaro. Pas daar leek Gottwald even los te komen, maar onvergetelijk werd het nog steeds niet.