Knecht

Niemand kent Grischa Niermann. Terwijl hij bijna zo oud is als de Rabobank.

Superknecht zonder naam, zonder verleden. Een renner die er op staat zijn eigen onzichtbaarheid te creëren. Zoals klimmers ook graag doen.

Nu dan, in de Apocalyps van Perpignan, opeens van de wereld. Bijna tachtig kilometer lang nam hij een gebroken pols in zijn wiel. Af en toe sprak hij woorden. Hij deelde ook nog een drinkbus.

Als was hij een lijfarts, zo vergezelde hij Robert Gesink naar de eindstreep. In het gebroken ritme van een val.

Krukken onder elkaar.

Er is geen respect meer voor knechten in het peloton.

Ja, wel voor het Astana-blok, maar dat zijn geen waterdragers. Zij zijn cult in de wind, in voorsprong. Een soort pantserdivisie die bewondering oogst voor een rigoureuze discipline an sich. Staat in de staat. NAVO, uiteraard. Hoezo, wielrennen?

Grischa doet alles in zijn eentje. Nu voor Robert Gesink, vroeger voor Michael Boogerd.

Bij de ploegvoorstelling wordt hij nauwelijks genoemd. Een kartonnen mannetje had ook gekund.

Hij lijdt er, zo te zien, niet onder. Hij koestert de anonimiteit. Niemand weet of hij vrouw en kind heeft, of wat voor labeur zijn vader ooit heeft verricht. Aan hem wordt niet gevraagd of hij macrobiotisch links is. Protestants of katholiek?

De polder gaat er achteloos aan voorbij. Wij zijn een maatschappij van winnaars, niet van knechten.

En dus zat Grischa Niermann de avond van de onheilsetappe ook niet bij Mart Smeets. Smeets hield het op Robert Gesink en Erik Breukink. Eigen volk eerst!

Eigenlijk, wat doet een Duitser bij Rabobank? Zullen we dat maar gauw vergeten? Grischa is er hooguit om te knechten en te verduisteren. Hij mag geen naam hebben.

Robert Gesink gaf hem nog een klapje op de schouder, in Perpignan. Uit dankbaarheid. Maar verder had niemand bij Rabobank het nog over hem. Ook Erik Breukink niet. Terwijl deze ploegleider toch al zijn halve leven lak heeft aan grandeur en reputaties.

Breukink is er voor de sport, niet voor het casinokapitalisme van de Tour.

Ja, hij weet als geen ander wat een publicitair surplus is, maar hij geeft er niet aan toe. Toch niet als paljas van truien, podia en bloemenmeisjes. Erik heeft nog getraind met muziek in de in de voorbumpers gemonteerde speakers. Terwijl zijn vader al geheel Rotary was. Welgesteld en vrij.

Rang en stand in het peloton, hij kent het als geen ander. Maar, gek genoeg, over Grischa Niermann hoorde je hem niet.

Quantité négligeable. Dat is geheel Rabobank: epos legt het af tegen nimbus. Maar Breukink? Dus ook!

Inherent verraad aan de psyche van de boerenleenbank.

Natuurlijk is het sneu dat Denis Mensjov zit te slapen en dat Oscar Freire zo jufferig is in de sprint. Maar dat mag geen thema zijn. Het epos in de Tour is juist het onvoltooide. Een machtig, onvervuld verlangen.

Dan heb je met Mensjov de juiste man in huis. Vallen en opstaan: die cirkel van het leven voor boeren en buitenlui.

Denis Mensjov: onverminderd een godsgeschenk.

Dat is Robert Gesink ook. Bijtijds gevallen, niet meer te achterhalen in verlies. Alpen of Pyreneeën, hij aanschouwt het als idyllisch landschap, vanuit de Achterhoek. Als een dromerige scalp van gene zijde.

Bankmannen zijn vaak uitvouwbaar. Grischa Niermann is dat niet.

Hij mag dan wel blij zijn in de bus aan te komen met een vlinderkusje van omstanders – niets van geld krult om hem heen.

De Tour de France is een week oud. Wat ik geleerd heb?

Dat Lance Armstrong zijn gang kan gaan. Op CNN, op de NOS, op de VRT.

De Tour: pakhuis van commercie en eigenwaan. Van pooiers. Nationalisme voorop.

Een festival van darmen, niet van kunst.

Een festival van charme, ook!

Nee, daar hoort Robert Gesink niet in thuis. En Grischa Niermann en Erik Breukink ook niet.

Van Rabo weet ik het nog zo niet: de knecht is dood, meneer.

Grischa Niermann dus.

Mijn liefde heeft hij. Niet dat het helpt, maar ik wil hem graag ooit nog eens bij Mart Smeets zien. Als pukkel van een wanhopige inhaalrace. Als knecht met woorden.

Een groots zwijgen kan ook.

Het probleem van de Tour is: kakofonie.

Alles kukelt maar door elkaar heen. Je hoopt op stilte, en je krijgt Tom Boonen.

Niet de stilte van een frame.

Niet een lispelend klikpedaal. Tumult, gezeik, hoera!

    • Hugo Camps