Hond naar de maan

Wat maakt de mens uniek? In de zomer van het Darwinjaar zoekt de redactie wetenschap naar antwoorden. Deze week: ruimtevaart.

Hond naar de Maan

Wijdt ooit een muis, een panter of een olifant een diepe gedachte aan de maan die ’s nachts door de bomen schemert? Breekt een paard zich wel eens het hoofd over de duisternis die ’s nachts boven de weiden hangt?

Dat dieren op de automatische piloot van reflexen leven, zonder emoties en zonder denkvermogen, dat idee is intussen achterhaald. We weten dat walvissen kunnen zingen, dat kraaien kunnen tellen (tot vier), dat katten dromen over de jacht en dat apen kunnen waar mensen het allerbest in zijn: liegen. Zoals: krijsen dat er gevaar dreigt en daarna in alle rust die tros bananen uit de boom halen. Net als mensen kunnen apen zich dus zaken voorstellen die (nog) niet zichtbaar zijn.

Maar de verbeelding van mensen reikt het verst. Alleen mensen vragen zich af wat er achter de horizon ligt, of voorbij de maan – en proberen daar te komen. Geen dier bouwde ooit schepen, vliegtuigen of raketten.

En toch hadden talloze dieren al ruimtereizen gemaakt vóór Neil Armstrong krap veertig jaar geleden (20 juli 1969) als eerste mens op de maan stapte. In 1968 waren aan boord van de Russische ZOND 5 zelfs al dieren achter de maan geweest.

Nadat de achterkant van de maan – die wij op aarde nooit te zien krijgen – gefotografeerd was, keerden de schildpadden, wormen (C. elegans) en fruitvliegjes gewoon weer naar aarde terug.

De dieren stonden in een traditie; want beesten bereisden de ruimte al twintig jaar. Het resusaapje Albert I was in 1948 de eerste. Zonder ruchtbaarheid ging hij vanuit New Mexico aan boord van een V2 omhoog.

De onderdelen van de Duitse V2-raketten waren kort na de tweede wereldoorlog tijdens operatie Paperclip naar de Verenigde Staten gehaald, samen met wetenschappers die wisten hoe je die raketten in elkaar moest zetten. In de jaren daarna lanceerden V2-raketten twee andere resusapen en twee muizen. Ze kwamen tot hoogtes van 130 kilometer (officieel begint de ruimte bij 100 kilometer). Alleen de muizen (Albert III en Albert V) overleefden de harde landing.

In die tijd was het nog maar de vraag of mensen bestand waren tegen langere perioden van gewichtloosheid. De Amerikanen gebruikten apen om het antwoord daarop te vinden. Daardoor plonsde het resusaapje Sam in 1959 na een afgebroken vlucht in de oceaan. En daardoor was Ham in 1961 de eerste chimpansee die de ruimte inschoot – hij was een kleine zeven minuten gewichtsloos. Heel veel meer ruimteapen gingen anoniem ten onder, of overleefden ternauwernood.

De Russen werkten liever met honden. In 1966 brachten de honden Veterok (‘Briesje’) en Ugoyok (‘Kooltje’) 21 dagen in de ruimte door – een recordperiode die pas in 1974 werd verbroken, door mensen, in het Skylab.

Maar Laika werd het beroemdst. De drie jaar oude en rustige reu was als zwerfhond ‘opgenomen’ in het Russische ruimtevaartprogramma. Tijdens de overhaaste voorbereiding van haar missie, in 1957, ontbrak de tijd om een zachte landing te organiseren. De ‘dappere’ Laika (het eerste levende wezen dat rond de aarde cirkelde) draaide dus in haar Spoetnik 2 ongeveer 2.570 rondjes om de aarde, zonder hoop op een veilige terugkeer.

Pas later, in 2002, lekte uit dat Laika tijdens het merendeel van die rondjes – zeker 2.000 – al morsdood was. Al een paar uur na vertrek was zij van hitte en stress gestorven. “Naarmate er meer tijd verstrijkt, vind ik dat steeds treuriger”, zei de Russische ruimtevaartexpert Oleg Gazenko daar in 1998 over. “We hebben niet genoeg van de missie opgestoken om de dood van een hond te kunnen rechtvaardigen.”

Sinds 2008 staat er in Moskou een bronzen hondje op een stenen raket, een monument voor Laika. De andere dieren – waaronder ook spinnen, ratten, konijnen, katten enzovoorts – moeten het zonder gedenkteken doen, maar “ze gaven hun leven of verleenden diensten in naam van de technologische vooruitgang”, schrijft de website van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. “Ze bereidden de weg voor de vele ruimtereizen van mensen.” Dankzij deze dieren, zou je met meer of minder cynisme kunnen zeggen, weten we eens te meer hoe uniek mensen zijn.