Gesjoemel bij faillissement amper bestraft

In tijden van crisis neemt het aantal faillissementen toe en daarmee het aantal fraudegevallen. De daders gaan veelal vrijuit, tot ongenoegen van betrokkenen.

Het begint met bonnetjes. De baas die zijn eigen declaraties gauw laat betalen, terwijl hij weet dat zijn bedrijf op instorten staat. Of – het grotere werk – een directeur-grootaandeelhouder die in het zicht van een bankroet de bedrijfsdeposito’s overboekt naar de rekening van zijn vrouw, van een kennis of naar het buitenland. Of de directeur die complete voorraden of andere activa uit zijn omvallende bedrijf via te laag gewaardeerde verkooptransacties wegsluist naar andere vennootschappen.

Faillissementsfraude, het komt in alle soorten en maten voor. En het komt vaak voor. Door de crisis neemt het aantal faillissementen, en daarmee de kans op fraude, alleen maar toe. Het afgelopen half jaar gingen 3.351 bedrijven failliet, ongeveer evenveel als in geheel 2008. In hoeveel gevallen daarbij sprake is van faillissementsfraude, is niet duidelijk.

Uit al gedateerd onderzoek van het ministerie van Justitie (2006) blijkt dat er in een kwart van alle faillissementen fraude in het spel is. Volgens de Haagse advocaat Marc Udink loopt de maatschappelijke schade van deze vorm van criminaliteit in de miljarden. „In de jaren tachtig is dat wel eens uitgerekend. Toen ging het om 2 tot 3 miljard gulden.” De schade moet volgens hem alleen maar groter zijn geworden.

Erger nog dan deze schrikbarende, maar lastig te objectiveren cijfers is dat het volgens onderzoeker Aart Bloemheuvel fraudeurs zo gemakkelijk wordt gemaakt. „Faillissementsfraude is redelijk simpel uit te voeren en de pakkans in Nederland is laag.” Bloemheuvel kent de praktijk. Hij was ooit rechercheur, werkte daarna als forensisch onderzoeker bij PricewaterhouseCoopers en leidt sinds een paar jaar onderzoeksbureau IRS. Volgens Bloemheuvel pakt justitie in Nederland te weinig zaken voortvarend op. En áls het Openbaar Ministerie dat doet, volgt zelden een veroordeling. „Dat schrikt natuurlijk niet af.”

De klacht van de privérechercheur wordt gedeeld door andere praktijkmensen. En gestaafd met gegevens uit hetzelfde onderzoek van het ministerie. In 10 procent van de fraudegevallen doet de curator aangifte. In nog geen 3 procent volgt een veroordeling.

Afgelopen woensdag kwamen curatoren, wetenschappers, rechters-commissarissen, politiefunctionarissen, officieren van justitie en ambtenaren bijeen op een congres in Amsterdam om te praten over ‘effectieve faillissementsfraudebestrijding’. Meningen over de ideale aanpak liepen uiteen, maar over één punt waren (bijna) alle 150 deelnemers het eens: justitie doet te weinig.

„Het is zeer frustrerend”, verwoordde advocaat Udink de communis opinio onder curatoren, „dat onze aangiftes van fraude in de meeste gevallen door justitie niet worden opgepakt”. Rechter-commissaris Erik Boerma uit Den Bosch ziet de gevolgen daarvan. „Als een curator in negen van de tien gevallen ziet dat er niks met zijn zaak gebeurt, zal hij bij het elfde geval denken: laat maar.”

Formeel hoeft hij ook helemaal geen aangifte te doen, zegt advocaat en organisator van het symposium Willem van Nielen van het kantoor Van Diepen van der Kroef. „De primaire taak van een curator is zo veel mogelijk uit de boedel te halen voor crediteuren, niet om fraude op te sporen.” Sterker nog: „Met alle tijd die hij in onderzoek naar fraude steekt, schaadt hij strikt genomen de belangen van de schuldeisers.” Hij zal die uren immers in rekening brengen van de boedel. Zeker als een curator voor een lege boedel staat, is de motivatie om diep in vuile geldstromen te duiken gering. Wel kan hij via civielrechtelijke weg fraudeurs aanpakken en daarvoor geld van het ministerie van Justitie of de Belastingdienst krijgen, maar alleen als dat aantoonbaar iets oplevert voor de schuldeisers.

Justitie heeft de aanpak van financiële fraude al jaren geleden hoog op de agenda gezet. Aangespoord door minister Hirsch Ballin werken zijn opsporings- en vervolgingsdiensten aan een „brede programmatische aanpak van financieel-economische criminaliteit”. Volgens de minister is de capaciteit bij politie en Openbaar Ministerie (OM) uitgebreid, zo zei hij in juni in de Tweede Kamer.

Volgens officier van justitie Christian Loos van het functioneel parket (de afdeling van het OM die strijdt tegen financiële fraude) heeft justitie in een zogeheten ‘handhavingsarrangement’ afgesproken per jaar vijftig faillissementsfraudegevallen te onderzoeken. Een woordvoerder van het parket zegt dat deze doelstelling gehaald wordt, maar dat niet precies is aan te geven hoe vaak een zaak succesvol wordt afgerond.

Op regionaal niveau heeft faillissementsfraude prioriteit gekregen. Fraudemeldingen en aangiften moeten worden geregistreerd bij een van de zes fraudemeldpunten. Het meldpunt in Zwolle is twee jaar geleden begonnen met een project waarbij politie en justitie bij elk faillissement een inschatting maken van de aanwezigheid van fraude, met behulp van gegevens uit het Centraal Insolventie Register en de Kamer van Koophandel.

Volgens Joop Hoekman, financieel rechercheur bij de Bovenregionale Recherche Noord- en Oost-Nederland, is de samenwerking tussen curatoren en justitie in Zwolle daardoor sterk verbeterd. „Als de inschatting positief uitvalt, zoeken we direct contact met de curator. Als dan blijkt dat hij de vermoedens van fraude deelt, vragen we hem aangifte te doen.” Van de 780 faillissementen die in de regio in 2007 en 2008 zijn uitgesproken, is in 72 gevallen een strafrechtelijk onderzoek gestart naar fraude. Grote en complexe zaken worden vervolgens opgepakt door het functioneel parket in Den Haag.

Curatoren prijzen de ervaringen van Hoekman, maar vinden dat de informatie-uitwisseling met opsporingsinstanties in het algemeen sterk verbeterd moet worden. Zij verlangen inzage in FIOD-dossiers.

Alle betrokken partijen zijn het erover eens dat faillissementsfraude het beste kan worden bestreden door preventie, waarbij het civiele recht voorop staat. „Met strafzaken krijgen crediteuren hun geld niet terug, en die duren veel te lang”, zegt een medewerker van het ministerie van Justitie. Rechter-commissaris Boerma: „Detentie wil de overheid toch ook niet. Dat kost 200 euro per dag.”

Fraudeurs moeten al in een vroeg stadium worden aangepakt en niet pas als het bedrijf is leeg getrokken en failliet verklaard. Het hoeft niet ingewikkeld te zijn om risico’s op fraude terug te dringen. Advocaat Udink: „Het gaat om een kernpopulatie van 1.500 tot 2.000 mensen die structureel frauderen. We zien al jaren dezelfde namen opduiken.”

Volgens de meeste juristen biedt het civiele recht voldoende mogelijkheden om hun het leven zuur te maken. Denk aan boetes of een stevig gesprek met een FIOD-rechercheur. Dat laat een rommelaar in elk geval blijken dat hij in de gaten wordt gehouden.

Veel fraudebestrijders pleiten voor de invoering van een bestuursverbod, een maatregel die financiële toezichthouders als DNB en de AFM al hebben. Rechter-commissaris Boerma vraagt zich hardop af: „Waarom kan de politie gemakkelijk van iemand die herhaaldelijk te hard of dronken rijdt het rijbewijs innemen, maar kunnen wij zoiets niet bij bedrijfsfraudeurs?”

    • Philip de Witt Wijnen
    • Nelleke Koops