Duif kan leren wat mooi is

Duiven zien welke kindertekeningen mooi of lelijk zijn. En wat een Picasso is en wat een Monet.

Picasso Duiven kunnen leren abstracte kunst (zoals Picasso’s Drie muzikanten) van realistische (hier Monets Terras van Sainte-Adresse) te onderscheiden. Dario Sanches

Zolang er wat te eten tegenover staat, valt duiven een hoop kennis van beeldende kunst bij te brengen. Eerder was al gebleken dat verwanten van de stadsduif kunnen leren om de schilderijen van onder anderen Monet en Picasso uit elkaar te houden. En nu hebben dezelfde Japanse gedragspsychologen aangetoond dat duiven kunnen leren om kindertekeningen die volwassen mensen goed vinden, te onderscheiden van ‘slechte’ tekeningen – ook al kunnen de beoordelaars zelf nauwelijks onder woorden brengen wat een tekening goed of slecht maakt (Animal Cognition, 16 juni online).

Duiven zijn van oudsher veelgebruikte proefdieren in de gedragspsychologie, omdat ze gemakkelijk de gekste dingen leren. De beroemde Amerikaanse psycholoog B.F. Skinner (1904-1990) was in de jaren veertig een van de eersten die ermee werkte. In 1958 memoreerde hij in American Psychologist hoe hij de duiven in zijn vensterbank destijds had geleerd om steeds harder te pikken om een graankorrel te krijgen. Al snel pikten ze zo hard dat hun snavels ontstoken raakten. ‘Dat was serieus onderzoek’, schrijft hij, ‘maar we hadden ook onze lichtere momenten.’ En Skinner vertelt hoe hij een duif leerde bowlen: stapje voor stapje kreeg hij het dier zover om met zijn snavel een houten balletje tegen een groepje speelgoedkegels aan te rollen, in ruil voor wat eten.

Shigeru Watanabe van Keio University in Tokio gebruikt in zijn onderzoek nog steeds de door Skinner uitgevonden ‘Skinner-box’: een kooi of hokje met een knop erin die de duiven kunnen indrukken, wat onder bepaalde omstandigheden voedsel oplevert. Watanabes gemoderniseerde versie heeft een kleine monitor achter glas; de duiven pikken ertegen als ze verwachten dat er dan voedsel komt, en als ze dat inderdaad verdiend hebben, krijgen ze het ook. De psycholoog gebruikt gewone rotsduiven (Columba livia, nauw verwant aan onze stadsduif) – maar wel hongerige: ze zitten op 80 procent van het gewicht dat ze zouden hebben als ze vrijuit konden eten.

Voor het nieuwe onderzoek kreeg de Japanse dierpsycholoog van een tekenleraar 75 tekeningen van kinderen van 9 tot 11 jaar. De leraar had ze al verdeeld in goede en slechte. Uit die twee stapels selecteerde Watanabe 15 tekeningen die tien collega’s en studenten van hem allemaal goed vonden, en 15 tekeningen die dezelfde mensen allemaal slecht vonden. Vervolgens leerde Watanabe enkele duiven met een paar tekeningen dat ze om voer konden pikken als er een ‘goede’ tekening op de monitor verscheen, maar dat dat geen zin had bij een ‘slechte’ tekening.

Toen de duiven deze ‘oefentekeningen’ van verschillende kwaliteit goed uit elkaar konden houden, liet de psycholoog de andere tekeningen zien. Ook dan bleken de duiven vaker tegen het glas te pikken bij een ‘goede’ dan bij een ‘slechte’ tekening. Ze hadden er kennelijk iets gemeenschappelijks in gezien.

En dat terwijl de mensen die de tekeningen beoordeeld hadden, het verschil nauwelijks wisten te formuleren. Weliswaar zeiden alle volwassenen dat ze meteen zagen of een tekening goed was of niet, maar zelfs de tekenleraar van de kinderen lukte het niet om precies te formuleren waaraan hij dat dan zag. Hij zei wel iets over techniek, variatie in kleur en dergelijke, maar voegde er ook aan toe dat het dáár niet alleen om ging.

Kleurgebruik speelt inderdaad wel een rol. Als de duiven de tekeningen in zwart-wit te zien kregen, konden ze de ‘goede’ en ‘slechte’ niet meer van elkaar onderscheiden. En het lukte ook niet meer als de tekeningen in vierkantjes werden verdeeld en alle kleuren binnen één vierkantje gemiddeld werden, met de ‘mozaïekfunctie’ in Photoshop. Althans, als het erg kleine vierkantjes waren, lukte het de duiven nog wel, maar bij grotere blokken niet meer. Dan verdween kennelijk te veel informatie.

Dus misschien heeft ‘goed’ en ‘slecht’ in kindertekeningen wel iets met realistisch versus abstract te maken. Dat onderscheid valt duiven immers ook aan te leren, zo was gebleken in enkele wat oudere studies, ook van Watanabe en collega’s. Het bleek dat duiven konden leren een Picasso en een Monet te onderscheiden; bovendien, als een duif eenmaal geleerd had dat hij bij een Monet voer kreeg en bij een Picasso niet, verwachtte hij ook bij een Cézanne en Renoir wat te eten, maar niet bij een Braque of Matisse (Journal of the Experimental Analysis of Behavior, 1995). Later herhaalde Watanabe dit onderzoek met werk van Van Gogh en Chagall (Animal Cognition, 2001).

Het onderzoek zegt niets over wat duiven mooi vinden als er géén voer tegenover staat. Maar daar was het de onderzoekers ook niet om te doen. Ze weten nu dat duiven plaatjes, waaronder kunst, visueel bijna op dezelfde manier verwerken als mensen. Dus willen ze de duiven gebruiken om het menselijk concept van schoonheid te onderzoeken. Want mensen krijgen dat maar niet onder woorden gebracht.