China's westerse front

Wie de baas zijn in China staat buiten kijf. Dat zijn de Communistische Partij, die een machtsmonopolie van 100 procent heeft, en de Han-Chinezen, die 90 procent van de bevolking uitmaken. Zelfs een golf van geweld in afgelegen provincies zou voor die formele en feitelijke almacht niet meer hoeven te zijn dan een onaangenaam incident.

Toch doet de Chinese leiding geen poging om de etnische crisis in Xinjiang te bagatelliseren. Integendeel. President Hu Jintao, tevens secretaris-generaal van de partij, is deze week halsoverkop van de G8 naar Peking teruggekeerd. Volgens Hu zijn de ongeregeldheden het werk van „krachten in binnen- en buitenland” die, zo heeft het Permanente Comité der aangekondigd, met „strenge straffen” zullen worden aangepakt. Doodvonnissen zijn een kwestie van tijd.

Dat zijn geen kleine woorden, of halve maatregelen. De vraag rijst waarom de leiding in Peking, net als vorig jaar in Tibet, wederom zo ruig reageert. De verklaring is ten dele ideologisch en historisch. Een communistische partij, ook een die dat slechts in naam is, bestaat bij de gratie van strijd. Als er geen vijanden over zijn, worden ze wel uitgevonden.

De partij wordt bovendien gedragen door één bevolkingsgroep. In weerwil van het jargon over „etnische, raciale en religieuze eenheid”, vertegenwoordigen de Han-Chinezen de ‘leidende cultuur’ van natie en partij. Als de Turkstalige Oeigoeren ruimte zouden krijgen, snijdt de partijleiding in eigen vlees. Peking is de partijrebellie in 1986 tegen Moskou in buurland Kazachstan niet vergeten; vijf jaar later bestond de Sovjet-Unie niet meer.

Maar er is meer. Het gaat ook om materiële belangen. De Han-Chinezen bezetten cruciale economische posten in Xinjiang . Met dat doel zijn ze de afgelopen decennia naar de islamitische provincie gedirigeerd. De Hans willen die voorsprong behouden en de staat helpt daarbij, bijvoorbeeld door de traditionele grenshandel van de Oeigoeren langs de oude zijderoute met visumrestricties te bemoeilijken. Dat zet kwaad bloed.

Temeer daar de economische vooruitzichten van Xinjiang gunstig zijn. Deze westelijke provincie draait niet alleen op groente en fruit of handel met maar liefst acht buurlanden, maar is ook rijk aan energiebronnen en andere grondstoffen. De olie- en gasindustrie is er in opmars. Nagenoeg overal ter wereld leidt dat tot bittere competitie. In Xinjiang dus ook.

De strijd om de verdeling van deze lonkende welvaart wordt extra gecompliceerd door het koloniale en autoritaire karakter van China. Als er geen democratische mechanismen zijn om voor- en tegenspoed te verdelen, is politieke almacht het belangrijkste distributie-instrument. Als de belangen groter worden, wordt de strijd om die macht ook heftiger.

De partijleiding in Peking heeft er nu voor gekozen geen misverstand te laten bestaan over haar inzet. Elke uitdaging kan rekenen op repressie. Het gezichtsverlies in L’Aquila weegt alleszins op tegen deze waarschuwing aan iedereen in China die ervan droomt de staat ooit uit te dagen.

Op korte termijn ligt de uitkomst voor de hand. Partij en Han-Chinezen winnen de strijd om de orde. Maar op langere termijn zijn er minder garanties. De onrust in Xinjiang is een signaal dat economische groei alleen niet afdoende is om het Rijk van het Midden in het gelid te houden.