'Anderen zien nu dat ik vocht'

Generaal Van Uhm deelde deze week voor het eerst gevechtsinsignes uit in Uruzgan. Twee militairen blikken terug. „Kogels vlogen rond ons voertuig.”

De gezichten van negentien Nederlandse militairen kleurden geel toen de zon zakte over Uruzgan.

Afgelopen donderdag stonden ze in de houding op de appèlplaats voor de eetzaal op Kamp Holland. Commandant der strijdkrachten generaal Peter van Uhm, die een driedaags bezoek bracht aan Afghanistan, liep langs de militairen en overhandigen hun de eerste gevechtsinsignes (zie inzet).

Van Uhm sprak iedere militair persoonlijk toe. De laatste twee waarbij hij dat deed waren sergeant Twan en soldaat William.

Pelotonscommandant Twan (30), soldaat William (20) (Defensie geeft om veiligheidsredenen geen achternamen vrij) en nog drie andere Nederlandse militairen gingen op de ochtend van 19 mei van dit jaar ter ondersteuning mee op patrouille met de Afghan National Army, zeggen Twan en William.

Behalve de terreinwagen waarin ze zaten, reden er drie Franse voertuigen mee. De Fransen behoorden tot het OMLT, het Operational Mentor and Liaison Team, en gingen mee als begeleiding voor het Afghaanse leger.

Afgelopen maanden hebben de Talibaan terrein gewonnen ten westen en noorden van het plaatsje Deh Rawood. Een deel van de bevolking is gevlucht en is ondergebracht bij hun families in de dorpskern. Vorig jaar deden de Talibaan precies hetzelfde.

In het dorpje Gharam, ten noorden van Deh Rawood, onderschepten de Nederlanders radioverkeer van de Talibaan. Twan: „Ze zeiden dat ze ons in zicht hadden.” Om acht uur ’s ochtends begon het schieten. In de vorm van een hoefijzer omsingelden de Talibaan de militairen. „Wij bleven terugvuren. Zij ook. Ze gebruikten steeds zwaardere wapens. Eerst schoten ze met AK-47 en een PK-machinegeweer op ons, maar later ook met mortieren en met Dragunovs (geweren voor scherpschutters, red.). Kogels vlogen rond ons voertuig. Op dat moment vond het Afghaanse leger het te heftig worden. Midden in het gevecht besloten ze ermee te stoppen en weg te rijden. De Fransen gingen intussen over op het Frans. Ik verstond ze niet meer, dus heb ik hun radio maar uitgezet. Dat was ook wel fijn voor ons, want dan hoefden wij geen Engels tegen elkaar te spreken.”

Het vechten ging volgens soldaat William door tot zes uur ’s avonds, met tussendoor een pauze van één of twee uur. „Net genoeg om tussendoor wat te eten.” De militairen wisselden van posities en van wapens. „Niemand houdt het vol om negen uur achter elkaar boordschutter te zijn”, zegt William. De laatste aanvalsgolf was het zwaarst en duurde het langst. Maar wat een beslissende slag had moeten worden, bleef in het ongewisse: het werd donker en de militairen moesten zich terugtrekken. De Nederlanders reden weg, gedekt door de Fransen die ook beschoten werden. De Talibaan kwamen uit hun schuilplaatsen. Over de radio zeiden ze volgens Twan ‘We hebben ze te pakken. Ze vluchten’. „De Talibaan vierden een feestje. Van mij mogen ze.”

Op de weg terug naar het kamp hadden de Talibaan bermbommen gelegd. Twee ervan ontploften. Er vielen slechts lichtgewonden. „We hebben ongelooflijk mazzel gehad”, zegt Twan.

Bij terugkomst op het kamp stond de dominee klaar om in groepsverband de actie na te bespreken. Twan voelde zich opgelucht dat in alle chaos van het vechten toch een soort orde was ontstaan. „Iedereen wist precies wat hij moest doen. Alle soldaten bleven helder hun werk doen.”

William was vooral blij dat hij het had overleefd, zegt hij in eerste instantie. „Of nee, dat is niet het juiste woord. Opgelaten, door alle adrenaline.” De gevechtsinsigne noemt hij een „eervolle” onderscheiding. „Anderen op het kamp zien nu dat ik heb gevochten. Voor de rest maakt het weinig verschil. Ik deed gewoon mijn werk.”

Dit artikel is voor publicatie gelezen door het ministerie van Defensie op informatie die de missie of de militairen in gevaar zou kunnen brengen.

Achtergronden op nrc.nl/uruzgan

    • Jaus Müller